Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstel van oproerige, vermetele ketters niet uit dwaling ondersteund ?"

»Ik heb gesproken zooals mijn overtuiging mij ingaf."

»En wetend, dat ik niet in haar deelde?"

»Op het oogenblik dat de landvoogdes mij vroeg, dacht ik niet aan u, ik zou dan gezwegen hebben; maar dat ik waande u door mijn meening van dienst te wezen, kan geen verontschuldiging zijn, waaraan gij zelf geloof hecht. Uw vertrouwen is te groot geweest dan dat ik mij zoo in uw gevoelens zou kunnen bedriegen; hadikeenig rijp beraad aan mijn woorden verbonden, ik zou geweten hebben dat ze u moesten mishagen; maar ik dacht slechts aan mijn eigen oordeel en gaf dat te kennen, onberaden, zooals ik nu met smart gevoel."

»Gij wilt uw oordeel derhalve herroepen?"

«Herroepen? neen."

Viale trad een stap achteruit, de aderen op zijn voorhoofd waren gezwollen, en zijn stem klonk heesch: «knaap, waag het nietu tegen mij te verzetten!"

»lk wil mij niet verzetten, maar mijn overtuiging kan ik zelfs op uw wensch niet verloochenen," antwoordde Edward beslist.

«Het moet uw overtuiging zijn, dat gij mij gehoorzaamheid schuldig zijt, en verder niet," sprak de graaf ruw.

De blos op het gelaat van den jongen man week voor een doodelijk bleek. Begreep hij nu wat Dalvilliers meende? Hij zeide langzaam en met moeite: «mijn dienst behoort u toe, over mijn geweten hebt gij geen recht. Toen ik uw huis betrad, verpandde ik u mijn trouw, niet mijn vrijheid; ik ken de plichten, die ik u schuldig ben; ik zal zwijgen waar mijn meening u schade doet, maar ik kan en wil niet ophouden een vrij man te zijn."

Zijn blik ontmoette dien van Viale en beiden zagen elkander strak aan, als wilden zij in elkanders hart lezen. Er was op dit oogenblik een merkwaardige gelijkenis tussehen den trek van vastberadenheid om Edwards lippen en de uitdrukking, die bij zulke gelegenheden op het gelaat van den graaf placht te rusten; diezelfde trots teekende zich op het jonge gezicht af, dat nu slechts een spiegel van Viale's eigen trekken scheen, zooals die in vervlogen jaren moesten geweest zijn. Eenige seconden werd er geen woord gesproken, toen was het of een huivering den graaf aangreep; hij sloeg de oogen neer, en zijn hevigheid, die een scherp antwoord wilde geven, bedaarde plotseling, als waarschuwden hem bange herinneringen voor de zegepraal, die hier te behalen viel. «Vergeef mij, Edward; ik was te heftig," zeide hij na een poos, gedurende welke een zware strijd in zijn binnenste gevoerd was, op zachten toon; «ik wilde u nietkren-

IN UAÜKN VAN STUIJi». H. [ (J

Sluiten