Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Ie ketters, later zijn veelbewogen leven, hadden hem daarvan teruggehouden, maar in zijn tegenwoordige stemming bezat de gedachte aan al wat nieuw en verstrooiend was aantrekkelijkheid voor hem, en zoo besloot hij zich door de twee burgers naar het oord dier bijeenkomst te laten geleiden. Hij hulde zich op dezelfde wijze in zijn mantel, drukte den hoed in de oogen, zoodat maar weinig van zijn trekken zichtbaar bleef en volgde de beide mannen.

^'j de poort uit en vandaar langs een reeks kleine, ver¬

vallen huizen; voor een bleven zij staan en zagen nauwlettend rond. Ken grof gekleede handwerker, die in de nabijheid op en neer wandelde, kwam naar hen toe; hij scheen een der wachten te zijn, die bij zulke gelegenheden werden uitgezet, om de gemeente voor een onverhoedschen aanval te waarschuwen; een stevig mes stak in zijn gordel en Edward bemerkte onder zijn wambuis den loop van een pistool. «Waarheen?" vroeg hij.

«Naar de plaats des geloofs in het midden der woestijn," sprak de oudste der burgers, »wij komen in naam der waarheid."

«Treedt binnen," zeide de man en drukte op de klink der kleine deur, door welke beiden naar binnen gingen; toen zag hij op Edward. «In naam der waarheid," sprak ook deze; hij vermoedde dat die woorden een teeken waren, en zoo scheen het inderdaad, want de kettersche wachter maakte zwijgend plaats en slool de deur achter hem dicht. Een nauwe, armoedige kamer ontving hem. Voor de tafel zat een vrouw, schijnbaar geheel in haar naaiwerk verdiept, en noch zij noch het vertrek toonde iets, dat van het gewone in het minst afweek. Verwonderd zag hij om zich heen, zijn voorgangers hielpen hem weldra terecht. «Herken uwe vrienden, zuster," zeide de vroegere spreker en sloeg den mantel een weinig terug, «wij moeten ons haasten, want wij zagen de gemeente zich reeds lang op weg begeven; is zij verzameld?"

De vrouw knikte, en oprijzend ontsloot zij een lage, wanneer zij ei' vóór gezeten was nauwelijks zichtbare deur, die op een van hooge muren omgeven binnenhof uitkwam, aan welks einde zich een houten loods bevond, zooals vaak tot voorraadschuur en bergplaats diende. De ingang hiervan stond open en liet ook inderdaad slechts planken, ongebruikt huisraad en andere onverdachte voorwerpen zien, maar het zachte gezang, dat Edward tegenklonk, overtuigde hem dat dit alles slechts diende om in geval van verrassing het oog der vijanden te verschalken. De schuur was dooi* een hecht beschot in tweeën gescheiden, en de tonen, die hij vernam, drongen uit dat afgesloten gedeelte, waarheen zich nu de haastige stap zijner gidsen richtte. Zacht, met eerbiedige houding traden zij in hun ruwen

Sluiten