Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het is de bodem uwer graven, de bodem waarop uw eerste gebed weerklonk en gij God voor het eerst gevonden hebt. Ons geloof heeft geen vaderland; het spreekt in de gloeiende velden van Palestina met dezelfde klanken als in het koude Noorden, en ik voel de tegenwoordigheid van dien God, dien ik zich in mijn land zag openbaren, ook hier in den vreemde; ik wil u niet binden aan dezen grond zoo de ongerechtigheid op hem zetelt; beter vluchten in de verste eenzaamheid, dan blijven waar de besmetting heerscht. Doch kunt gij die kranke stoffen nog verwijderen, o doet dan alles om uw vaderland te redden, want ik zeg u: het brood van den banneling is hard en de tranen vloeien in zijn beker.

Mijn geboortegrond, zoo schoon, zoo gezegend door de natuur, waarom mocht de zaligheid van den uitverkorene u niet ten deel vallen? waarom moet iedere wensch uwer zonen naar een ander oord zich richten, een oord hun niet door de herinnering geheiligd, niet door liet verlangen weenend gezocht?"

Hij sprak de laatste woorden zacht, meer tot zich zelf dan tot zijn gehoor, maar zij maakten een levendigen indruk. Elke uiting van sterk gevoel bij personen, wier geheele wezen van zelfbeheersching spreekt, heeft iets aandoenlijks; de groote tegenstelling tusschen de zwakke natuur en den sterken wil treft, vooral wanneer de eerste zegeviert, het gemoed, en ook hier rustte menige blik van deelneming op het bleeke gelaat van den prediker; ja, het was duidelijk dat zijn godsdienst levendiger tot de harten sprak, nu zij hem in zoo echt mensclielijke smart zagen. Ifot is altijd een behoefte der ziel, in hem, die haar blikken ten hemel richt, nog de keten te zien, waarmee hij aan de aarde is vastgehecht; en zoo enkelen die smart om een verloren vaderland als wereldsche ijdelheid veroordeelden, verreweg de meesten der toehoorders waren geroerd, en hingen aan zijn lippen, toen hij met krachtiger stem vervolgde: «vergeeft het mij, zoo ik u van gevoelens sprak, die te kennen u nog niet werd opgelegd; o mijn geloofsgenooten, leert ze niet door eigen kleinmoedigheid verstaan. Ziet, het zijn thans dagen, waarin gewogen wordt en geoordeeld ; wij lezen ze niet, de vonnissen, die de hand des rechters opmaakt, want zij staan geschreven in het boek der eeuwigheid, welks bladen niet opengaan vóór de tijd als een dor blad onder onze voeten vertrapt ligt, maar geen Ietter wordt uitgewischt in dat groote boek. Denkt, wat daar van u zal geschreven staan. Een heerlijk oordeel, dat zegt hoe gij u in den heiligen strijd geweerd hebt, tot het staal in uwe hand de ketens der tirannie verbrijzelde, of —een smadelijk zwijgen, zooals het hen bedekt, die verworpen werden voor het aangezicht des Heeren.

IN DAQICN VAN STUIJD. II. 1 1

Sluiten