Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaven, behoorde ook de jonge Vredenborg, en zooals Edward hem gadesloeg, met die sterke kleur op het afgespannen gelaat, met die van opwinding gloeiende oogen en de snel verminderende hoopen gelds voor zich, greep een gevoel van afkeer en angst hem aan. Hij zag eenigen tijd zwijgend toe, maar dan overmande hem zijn bezorgdheid en, zich naar Filips buigend, fluisterde hij nadrukkelijk: »gij speelt te hoog, ga niet voort."

«Wat zou dat ü deren? ik wil spelen," antwoordde Filips met de koppigheid van den wijn, dien hij gedronken had, en schudde op nieuw de kaarten.

»Gij zijt niet meester van u zelf," vermaande Edward.

»Ik zou willen weten of gij mijn meester zijt, laat mij met rust, ik wil op eigen beenen staan."

»En vallen,' mompelde zijn welmeenende waarschuwer met een zucht. Hij zag naar Meerwoude om, hopend dat deze zijn gezag bij den jongeling zou gebruiken, maar Reinout scheen voor alles oogen te hebben, behalve voor dat wat Edward zoo wenschte dat hij zien en beletten mocht. Met een paar haastige woorden lichtte hij den edelman dus omtrent zijn vrees in.

Deze haalde de schouders op. »Het is verkeerd, doch Filips is geen kind meer, en ik wil mij niet belachelijk maken door als een gestrenge voogd op te treden; maak u trouwens niet ongerust, wat hij heden verliest kan hij morgen herwinnen, of had hij gisteren gewonnen; al deze menschen leven voortdurend tusschen eb en vloed."

«Maar ik vrees, dat hij bij de eb slecht zwemmen kan," hernam Edward dringend.

wllij heeft zich lang genoeg geoefend, en in elk geval zou mijn raad weinig baten, niets is zoo hoogmoedig als onkunde." Met deze zeker niet onware maar weinig troostrijke opmerking stapte Reinout van de zaak af, en Edward zag geen kans om hem tot andere gedachten te brengen.

«Waarom speelt gij niet, Meerwoude?" riep op dit oogenblik De Burge.

»Ja, gij moet meedoen," voegde de jonge Vredenborg er bij.

»Ik heb genoeg gespeeld, en als gij verstandig zijt, Filips, waag u dan aan geen nieuw verlies, gij kunt niet spelen."

Het zou zeker verstandig geweest zijn, indien zijn woorden waren opgevolgd, maar nooit werd een goede raad in slechter vorm gegeven. De jonge Vredenborg was ijdel, en al had hij geen lust gehad om te spelen, zou de onderstelling, dat hij niet spelen kon, genoeg zijn geweest, om het oogenblikkelijk daartoe aan te zetten; hoeveel te meer nu, terwijl hij van verlangen brandde, in zijn vermaak voort

Sluiten