Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beklagen; arme man, nu begrijp ik, waarom gij ongelukkig zijt!"

«Meent gij, dat mijn gedachten mij ongelukkig maken? dat zij onrecht zijn?" vroeg de Protestant.

»Mijn vader heeft mij gezegd, dat de graaf van Brederode een ketter is en dat wij hem daarom nooit mogen zien, want hij heeft booze daden gepleegd, en ..." — de knaap hield beschroomd op.

«Gij meent, dat hij die volbracht heeft, omdat hij een ketter is? ach, ware hij het slechts meer, zijn ziel zou niet aan de lage genoegens hangen, die hem nu lokken. Neen, men heeft u bedrogen, de ketterij is een geloof, en die het belijden hebben alleen deze misdaad gepleegd, dat zij God meer eeren dan de mensehen, die in zijn naam spreken maar zijn geboden ontheiligen; zij worden vervolgd en gesmaad, doch hun schuld is een gebed."

«Een zooals wij het bidden?"

«Neen, een gebed dat rein is van afgoderij en beelden vereering, een welks klank den lieer welgevallig is."

«Zoudt gij denken, dat hij het onze niet gaarne hoorde?" Frank richtte zijn blik vorschend op het strenge gelaat, dat hem voor het eerst den godsdienst niet als een band, maar als scheidsmuur kennen deed, en het antwoord voelend nog eer het gesproken was, vervolgde hij snel: «ik zou niet willen denken zooals gij, ik zou geen geloof willen hebben, dat de mensehen niet gelukkig kon maken en zoo hard en somber sprak; ik ben blij dat men mij anders geleerd heeft."

Zij vormden op dit oogenblik inderdaad een treilend contrast, de sombere geestelijke en de schoone knaap met zijn heldere oogen, die overal licht en geluk zagen. De vreemdeling, hoe vurig Protestant, was in één opzicht nog Katholiek, hij had ook zijn vagevuur, alleen dat hij dit leven zelf, niet wat er op volgt, als zoodanig opvatte; Frank zag slechts den hemel, die de geheele aarde omspant, liet was een tegenstelling die de Hugenoot niet kon nalaten op te merken, maar ze vervulde hem met bitterheid. Er scheen daardoor een schaduw op zijn geloof te vallen, en Franks woorden voltooiden dien indruk; zij wondden hem, want zij klonken als een aanmaning tot verdraagzaamheid, en hij zag in den jeugdigen spreker enkel den zoon van zijn onverdraagzamen vijand, den later zelf tot vervolger bestemde. «Als gij de kerkers der inquisitie voor het eerst bezoekt en de auto-da-fé's der uwen meeviert," zeide hij, «vraag dan waarom de lippen der ketters geen heil op aarde kennen, en als gij de vervloekingen hoort, die in uw tempels tegen hen gericht worden, vraag dan waarom de gebeden der uwen Gode niet welgevallig kunnen zijn; gij zult dan zeker het antwoord vinden."

Er werden in die dagen vele uitspraken gedaan, waarvan de liefde

Sluiten