is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden toevertrouwd, en zoo uw liefde zicli ééns bedroog, laat mij dan zorgen, dat zij voor de tweede maal een waardiger voorwerp vinde. Nietwaar, gij wilt mij de zorg voor uw geluk wel opdragen?"

»Hoe kan ik anders? ik weet, Uw Hoogheid zal Melville met de gewone goedheid aan zijn plicht herinneren, en zoo ook dat niet baten mocht, dan" — zij kon voor het vreeselijke gevolg, dat zulk een feit moest hebben, zeker geen gepaste uitdrukking vinden, en vervolgde dus alleen met de noodige aandoening: »dan zal mijn dierbare gebiedster wel weten, wat het best voor mij is, ik laat alles aan haar over."

Welke teedere dochter had zich met meer beminnelijkheid aan het klaarder inzicht harer moeder kunnen onderwerpen, en welke zorgende moeder dat vertrouwen met meer welwillendheid aannemen? Er was op dit oogenblik zeker nergens een inniger groep te zien, dan Silvia en de landvoogdes vormden, zooals de eerste na die woorden haar hoofd leunde tegen de hand harer gebiedster, die zachtkens over haar donkere lokken streek, terwijl de genius der waarheid zijn vleugels over haar uitbreidde, want hij had die juist ontplooid om een haastige vlucht uit het vertrek te nemen.

De dag, welke met zijn heldere zon dit liefelijk tooneel bescheen, was verscheidene weken na Edwards breuk met Meerwoude. Dat Margareta van dien twist had vernomen en hem te zijnen nadeele uitlegde, kon de jonge man alleen vermoeden; hij had tegen ieder, zelfs tegen Viale het zwijgen bewaard, en Reinout scheen nog minder reden te hebben om dit te verbreken, maar zeker was het, dat de toon der landvoogdes na dien tijd niet in zachtheid was toegenomen. Zij had mogelijk van andere zijde eenig bericht gehoord, en de verhalen van derden zijn zelden geloofwaardig; Nivelde althans, niet wien zij kort daarop veel gesproken had, gaf een lezing van het geval, die ongeveer luidde, dat Melville door den edelman gewaarschuwd was, om zekere verbintenissen van illoyalen aard af te breken, welke vriendschappelijke raad Edward zoo vertoornd scheen te hebben, dat hij allen omgang met Meerwoude had afgezworen. Nivelde bleef Silvia op den duur te schoon vinden om haar aan zijn mededinger over te laten; hij was weder begonnen haar ijverig het hof te maken, en al wascht niet steeds de eene hand de andere,— als men goud zoekt, helpt men elkander toch het slijk omwoelen; Reinout en die onpartijdige beoordeelaar waren op dat oogenblik zeer goede vrienden.

Dat berichten, in dezen vorm vernomen, de landvoogdes niet gunstiger voor Edward stemden, was te denken, en voor zoover men uit den aard harer gezindheid mocht besluiten, moest zij ze wel gehoord hebben, en, wat vreemder heeten mocht, ook gelooven. De bron,