Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te redden zijn, stemde Viale zelfs in die verre verwijdering toe. »Ik ben met uw keus voldaan," zeide liij, »mits gij overtuigd zijt dat dit ambt u niet te zwaar zal vallen; liet geeft veel arbeid en weinig afleiding of vermaak."

Edward zuchtte. «Misschien ware het heter geweest zoo ik dit nooit in zoo rijke mate gekend had," sprak hij somber; »en wat arbeid betreft, hij zal mij een weldaad zijn."

Er heerschte eenige stilte; dan hegon de graaf: «gij ziet dat ik mij niet tegen uwe wenschen verzet, ik bevorder uw vertrek, hoeveel mij de scheiding ook kost, maar laat mij met éénen troost u zien heengaan. Beloof mij, dat gij u waar gij kunt buiten aanraking met de ketters zult houden; dat gij uw best zult doen, om, waar gij de bevelen der landvoogdes met recht verwerpt, u met den geest dier bevelen te vereenigen; dat gij uw trots genoeg wilt verloochenen om eens, aan ons hof teruggekeerd, uit eigen beweging dat te kunnen doen, wat laag zou zijn op bevel te verrichten."

»Ik zou aan dit hof terugkeeren!"

»Ja, Edward; gij brengt mij nu in die gedachte een olï'er, maar er zal een tijd komen, waarop gij inziet dat ik in uw belang handelde, en mij dankbaar zijt dat ik u terughield, toen gij op het punt stond zelf een loopbaan af te sluiten, die tot uw geluk moet voeren."

»Ik geloof dat niet, ik ben gaan twijfelen of de hofwereld juist die is, waarin ik mijn heil zou kunnen vinden; maar gij hebt gelijk, het is beter een tijd van kalm nadenken aan zulk een afscheid te laten voorafgaan. Als ik na mijn proeftijd," — er zweefde een weemoedige glimlach over Edwards lippen, — »nog bij mijn gevoelens volhard, zal wel niemand zeggen, dat ik in de onberadenheid van het oogenblik te werk ging."

Een onrustige trek vertoonde zich op Viales gelaat. «Doe mij nog ééne belofte," zeide hij; »ga niet van hier met de gedachte dat uw eigen voornemen reeds vaststaat, en gij alleen om mijnentwille nog met de uitvoering er van wacht; beschouw die dagen als een levensperiode waarin uw opvattingen en wenschen nog worden, niet reeds zijn gevormd. Denk niet als gij in Gelderland zijt: ik zal nooit weer in Brussel terugkeeren; menigeen doet zulke innerlijke eeden, en de schaamte voor ziju eigen ik belet hem later, als hij hun ijdelheid inziet, ze te breken; maak uw plan om dit hof voor goed te verlaten niet tot een onherroepelijk: ik heb gezegd, maar denk dat gij wachten, dat gij u onpartijdig beproeven wilt, en dat gij hoopt weer te kunnen keeren, wijl liet mij onuitsprekelijk bitter zou wezen u hier niet terug te zien."

»Ja, ik zweer u, ik wil er naar trachten."

IN DAGKN VAN STRIJD. II. II'

Sluiten