is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Ik heb hem altijd zoo bewonderd, en gedacht hoe groot hij was; zoudt gij denken dat hij niet zoo edel was, dat... ach, Edward, gij weet het niet, maar ik wilde toch gaarne tegen iemand opzien, het is zoo hard aan niemand meer te kunnen gelooven."

»Nu, dat is immers ook niet noodig; wat ziet gij somber; ik begin waarlijk ook te vreezen, dat gij een droomer worden zult," zeide Edward zich tot vroolijkheid dwingend, en op een dicht met klimop omgroeiden, kort te voren door den storm gevelden boom wijzend, ging hij afleidend voort: »hoe jammer van dien prachtigen stam; we hebben dikwijls onder zijn lommer gezeten."

»Ja hij was zoo dicht begroeid; het is jammer."

Edward nam een der dorre klimopranken in de hand. »Het is al verwelkt," zeide hij, »het schijnt zijn sappen uit den boom gehaald te hebben; zie eens hoe vast het dien omklemde."

Frank staarde zwijgend op de plant. »Ilet moest verwelken," zei hij eindelijk.

»Nu, het is nog zoo erg niet."

De knaap gaf geen antwoord. Hij keerde het gelaat af en sprak zacht in zich zelf: »het had ook geen steun meer."

Edward begreep zijn ontroering niet recht; hij vond iets ziekelijks in deze overgevoeligheid en moedigde die dus niet aan. Met een haastig vaarwel nam hij van Frank afscheid en richtte zijn schreden naar het paleis waar Silvia woonde. Hij zag niet hoe de knaap met zijn onbegrepen, afgekeurd leed een weemoedigen blik op hem vestigde en dan het gelaat in beide handen verborg, niet wetend tot wien hij zich wenden moest met zijn eerbied die geen voorwerp kon vinden, met zijn vertrouwen dat overal geschokt werd.

Eigen vrees en smart hebben geen scherp oog voor de verborgen droefheid van anderen, en Edward had in zijn gedachten zeker zorgen genoeg, terwijl hij nu onder zoo veranderde omstandigheden zijn verloofde opzocht.

Hij werd er niet verwacht, dat was duidelijk. Lucia ontving hem nog een weinig onvriendelijker dan gewoonlijk, en haar houding verried een goede mate van heimelijke onrust. »De signora is nog niet gekleed en kan dus niemand spreken," luidde haar kort bescheid op de vraag naar haar meesteres.

»Ga haar dan helpen, ik moet haar zonder uitstel zien."

»Dat durf ik niet, zij heeft gezegd dat ik haar niet storen mocht."

»Goed, dan zal ik zelf gaan."

»Maar — maar, zij wil immers niemand ontvangen, het zou beter zijn, dat signor niet ging." Lucia's kleine zwarte oogen flikkerden angstig. Hij kon niet twijfelen of er moest iets zijn dat hem bijzon-