Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niets dan den glans van dit hof, waar wij beiden toch slechts de vergulde ketens eener drukkende dienstbaarheid zouden dragen; kunt gij 11 niet dit oll'er verzoenen? o, zeg mij. dat gij liet kunt!"

Zijn woorden klonken haar zóó onverstandig, dat zij moeite had niet luid te lachen, maar zij begreep dat aan deze ontijdige opwelling van vroolijkheid niet voldaan mocht worden; zij wilde niet, dat van haar kant eene scheiding werd uitgelokt. Zonder een spoor van innigheid, maar toch ernstig hernam zij: »ik gaf u mijn woord, maar ik kan niet gelooven, dat, wat ook uw plannen zijn, zij u ooit van de landvoogdes, ons beider weldoenster, zullen verwijderen; zulk een ondank kan ik niet van u verwachten, en nog minder dat gij verlangen zoudt mij er in te zien deelen."

Het was weer de behendige manier van ontduiking aller rechtstreeksche vragen, die hij in haar gewoon was, maar ditmaal zou zij hem een beslissend antwoord geven. »Silvin," zeide hij, »\vat ik aan de landvoogdes verschuldigd ben, weet ik; zij heeft mij vriendschap bewezen, en ik wil niet vragen welk doel zij daarbij had; maar ik weet ook, wat ik mij zelf verschuldigd ben. Ik kan geen werktuig zijn voor daden, die ik veracht. Gij zegt niet te willen gelooven, dat mijn weg zich van den haren kon scheiden; laat het mij dan nog eens duidelijk herhalen: beider wegen kunt gij niet bewandelen, welken weg wilt gij dus gaan? wilt gij mij volgen?"

Zij sloeg de schoone oogen naar hem op om te zien of zijn gelaat met zijn woorden overeenstemde, en zeide toen op haar kalmen, helderen toon: »neen."

»Gij wilt dus dat wij gescheiden zijn?"

»lk kan mijn meesteres niet verlaten."

Hij voelde, dat hier niets meer te zeggen viel. Als er ook maar het kleinste spoor van gemoedsbeweging in haar stem had weerklonken, zou hij zich nog hebben kunnen bedriegen, want het duurt lang eer de laatste vonk zelfs eener flauw brandende hoop wegsterft, doch haar koele, heldere tonen waren als zooveel stukken ijs, die uitdoovend ook op de gloeiendste vlam moesten neervallen. Zij was op dit oogenbliic zoo volkomen oprecht, dat zij elke nog zoo zwakke zelfbegoocheling verijdelde. Hij liet haar hand varen, hij had er geen recht meer op. »Als dit uw voornemen is, hebben wij elkaar niets meer te zeggen," sprak hij op dollen toon en wendde zich af. Aan de deur bleef hij staan, het was of hij iets wachtte, maar Silvia bewoog zich niet, zij had met hun betrekking volkomen afgedaan.

Nog éénen blik wierp Ëdward op haar terug. Moest dat het einde wezen van al zijn schoone verwachtingen! Zooals zij daar lag met het teedere, kalme gelaat, met die half gesloten oogen vol kinderlijke

Sluiten