Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik, terwijl hij zoo fier en vroolijk rondzag, meende zeker op een glansrijke toekomst te zullen slaren. Hij zag zich in alle schitterende toestanden — niet, zooals hij weinige jaren later zijn zou, een vluchteling, die in den vreemde tevergeefs onder wilde gelagen zijn kommer trachtte te verstrooien, om in den bloei van het leven, zonder roem of macht, met een hart, dat ongeluk en vernedering hadden gebroken, te sterven.

Ook die edeler, jeugdige gestalte aan zijn zijde zou men een blijder toekomst voorspeld hebben dan de werkelijkheid voor hem had weggelegd. Niet de grootste, maar de ridderlijkste en beminnelijkste van zijn geslacht, scheen Lodewijk van Nassau, de »bloem der ridderschap," tot een lot van eer en geluk uitverkoren. Een schitterende geboorte, schoonheid, deugd, heldenmoed, rijkdom en kennis, alle vereenden zich in hem om alle op een bloedig slagveld te eindigen, eer een eigen gevierde staat nog bereikt was, eer hij het zoet der liefde nog had gesmaakt, of het werk van zijn broeder, waarvoor hij leefde en stierf, verzekerd had kunnen zien. Zelfs zijn lijk vond geen graf waarop de liefde haar bloemen kon neerleggen; verborgen onder hoopen van dooden, of uitgeplunderd door den vijand, werd het niet herkend, mocht geen oog weenend op zijn overschot rusten, geen vriend en krijgsmakker het de laatste eer bewijzen. Gelukkig, hij stierf voor een groote zaak, voor een volk dat zijner waardig was, in ééne daad alles volbrengend wat het leven edels volbrengen kon, — hij stierf een vrijen, eervollen dood.

Hoeveel anderen zouden dien op smartelijker wijze vinden. Dooide hand van een zijner eigen oproerige soldaten viel de edele wapenkoning van 't gulden vlies, in wiens woning de bondgenooten hun bijeenkomsten gehouden hadden, Nikolaas de Ilames, een man wiens beteekenis Margareta zoo juist begreep, dat zij, over een algemeene gratie denkend, hem daarvan wilde uitzonderen, en wiens aandenken nergens helderder schittert dan in de tranen, waarmee Willem van Oranje zijn verlies beweende. Hij had Spanje met zooveel heldenmoed bestreden, dat een beter einde dan de kogel van een Duitschen huurling zijn leven had mogen kronen.

De jongeling in zijn nabijheid, op wiens bevallige trekken een meer dan gewone ernst rustte, deed eveneens niet vermoeden, hoe nog binnen den loop van een enkel jaar het merk van een vreeselijken dood op zijn bloeiend gelaat zou staan. De naam van zijn grooteren broeder, wien het vergund was een lang edel leven aan zijn vaderland te wijden, heeft hem in vergetelheid gebracht, en toch schenen weinigen tot zoo groote verwachtingen recht te geven. In de eerste kracht zijner jeugd, maar als scholier van Genèvc reeds

Sluiten