Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wien ieder man van eer zich met verachting zal afwenden."

Viale staarde strak naar buiten, maar met een blik die niets scheen te zien; zijn gelaat, tot zelfs de lippen, waren vaal bleek, terwijl hij eindelijk hernam: «zouden de vele drijfveeren, die hein tot zijn trouweloosheid aanzetten, niet ook zijn verontschuldiging zijn ?

»Ik meen van niet, daar ze meestal reeds te voren gekend werden; wie zou zulk een huwelijk sluiten, en niet weten, waaraan het hem blootstelde? mij dunkt," hij hield plotseling op, alsof hem de verandering in Viale's trekken nu eerst trof, en vroeg met zeer natuurlijke verwondering: scheelt u iets, heer graaf?"

Viale schudde het hoofd en trachtte eenige onverschillige woorden te vinden, onverschilliger dan bij zijn gelaat pasten; Reinout echter scheen daarmee volkomen voldaan. Hij vroeg niet verder, en daar de stoet iu het paleis verdwenen was, verwijderde hij zich spoedig. Men had hem altijd in een vriendschappelijke verhouding tot Viale gezien, het bleek uit zijn kalm voorkomen duidelijk, dat hij niets van den indruk vermoedde, door zijn gezegden teweeggebracht, en de uitdrukking van boosaardig, hatelijk genoegen, die een oogenblik zijn trekken eensklaps deed veranderen, zou door niemand in verband met den smartelijken zucht zijn gebracht, die aan de borst van den graaf ontsnapte, terwijl hij dezen vaarwel zeide, maar het was zulk een snel voorbijgaande verandering, dat zij zelfs niet bemerkt werd.

Hij mengde zich onder de toeschouwers, schijnbaar achteloos naar hun gesprekken luisterend en zich met enkele bekenden onderhoudend, tot de verbonden edelen uit het paleis terugkeerden. Terwijl zij zich weder in de vroegere volgorde schikten, en hun bij de audiëntie verbroken rijen sloten, trad Dalvilliers op hem toe.

»Nu, welk antwoord hebt gij van de landvoogdes ontvangen ? vroeg Reinout.

»Zij heeft bedenktijd gevraagd, en zal ons later haar gevoelen ineedeelen."

«Dat was te wachten. Er is hier veel gebeurd tijdens ik weg was."

»Het doet mij leed u niet bij ons te zien; ons verzoekschrift had door alle weidenkenden moeten geteekend worden."

«Heeft de prins van Oranje het bekrachtigd?" Reinout wist dat dit niet het geval was, want hij had afschriften van het compromis gezien, maar hij wist ook waarom hij juist Oranje's naam, niet dien van Egmond, die evenmin geteekend had, noemde, en waarom hij dit zoo hoorbaar deed.

Een aarzelend neen kwam van de lippen der omstanders; er was een duidelijke ontmoediging in die bekentenis hoorbaar, welke zelfs

Sluiten