is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brederode, die in Dalvillier's nabijheid stond, trof, zoodat hij zich tot Reinout wendde, om den indruk der ironische vraag weg te nemen. »Als gij uw naam alleen in dat gezelschap wilt zetten, wees dan gerust: jonker Willem is onze bondgenoot, maar mij dunkt, dat ónze namen waarborg genoeg zijn; of houdt gij ons ook voor een hoop Geuzen, zooals Barlaimont?"

«Gij zult u vergist hebben, hij zal iets anders bedoelen," viel Dalvilliers hem vergoelijkend in de rede.

«Vergist? ik stond in Margareta's onmiddellijke nabijheid; neen, het was juist een uitdrukking voor dien geldzuchtigen schraper."

»Wat is er gebeurd ?" vroeg Reinout, «wie noemde Barlaimont zoo ?"

«Ons allen; toen wij binnenkwamen en voorbij den troon der landvoogdes trokken, was zij zoo bleek en ontsteld, dat zij als een riet beefde en geen geluid geven kon, terwijl de tranen haar bij stroomen over de wangen liepen; ik had waarlijk medelijden met haar; doch wat denkt gij dat Barlaimont toen zeide? ne craignez pas, Madame, ce n'est qu'un tas de Gueux? Ik zal hem dien zet nog eens betalen."

Meerwoude lachte: «wil ik u mijn meening zeggen? keer de zaak teil beste, maak haar liever tot eeir scherts dan tot een beleediging."

«Zij was als een beleediging bedoeld."

«Te onaangenamer dan, wanneer gij haar als een grap opvat; ik kon niets verdrietigere dan met zijn eigen woorden het tegendeel te bereiken van wat men bedoelde."

«Gij hebt gelijk; ik ben ook niet recht in de stemming 0111 beleedigd te zijn; wie weet of ik er niet nog een partijnaam van maak, dat zou het beste middel wezen 0111 te toonen hoe wij hem verachten."

«Het is een noodlottige naam," zeide Dalvilliers.

«Wel, voor de afwisseling zou zulk een grijs bedelaarspak ons misschien zeer goed staan," hernam Brederode; hij drukte de baret vaster op het krullende, roodblonde haar, en wierp den iluweelen mantel met achteloozen zwier over zijn schouders; men kon hem aanzien hoe bewust hij zich van den glans was, die hij zoo geringschattend verloochende; «leve de armoede!" riep hij met overmoedige vroolijkheid.

Reinout zag hem half minachtend, half medelijdend aan; toen sprak hij zacht tot Dalvilliers: «laat die leus 11 nooit tot waarheid worden."

«Geeft gij al raad voor het geval dat onze goederen verbeurd zijn?" schertste Brederode; «nu dat heeft nog tijd."

«Wie weet?" zeide Dalvilliers ernstig, «maar al ware het zoo, ik twijfel niet ol er is geen onder ons, die weigeren zou zijn vader-