Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

macht zien; die toomelooze, fanatieke vervolgingen, die dan zullen aanvangen en maar noodeloos bloed vergieten, staan mij tegen, en ik kan geen ja en amen op onverstandige daden zeggen. Daarenboven, ik heb zijn mededinger in de hand gewerkt, dat moet mij in zijn oogen hatelijk maken; Yiale zal het verder in zijn gunst brengen." Hij zweeg en staarde nadenkend voor zich uit; de trek van wrevel op zijn gelaat loste zich echter weldra in een van ironie op. Hij sloot zijn brief, verzegelde hem en borg het onheilvolle blad in een pakket, dat meer dergelijke berichten inhield ; toen nam hij eon andere rol met papieren op. Zij waren niet van zijn hand en evenmin van politieken aard.

Bovenop lag een, naar men nog duidelijk zien kon, uit een groot boek losgemaakt blad met gescheiirden, beschadigden rand. Hij, die het had losgemaakt, moest van plan geweest zijn het geheel te vernielen, want het was reeds in tweeën gescheurd, maar weer aan elkaar gehecht, alsof de hand, die zulks had ondernomen, voor haar eigen werk was teruggedeinsd. De letters waren niet beschadigd, duidelijk kon men nog den inhoud lezen, die het huwelijk vermeldde, tusschen de personen gesloten, wier namen daarop onderteekend stonden: Karei de firénis en Johanna Rovéne. Wie had dit bewijsstuk uit het kerkboek, waarin het moest hebben gestaan, losgerukt en willen vernietigen ? Een ander, eerst kortelings geschreven blad, gaf daarvan rekenschap. Het was van dezen inhoud:

»Het is thans vier-en-twintig jaar geleden, dat ik, priester te...., een wettig huwelijk gesloten heb tusschen een jong edelman, met

name Karei de Brénis, en een burgeres van Utrecht, Johanna Rovéne. Er is niets bij dien echt verzuimd, en ik verklaar hem ten aanschouwe

van God en menschen voor rechtmatig, den hemel biddende dat het kwaad, door mij gepleegd, hersteld moge worden. Helaas, ik weet niet hoe ik ooit in een volgend leven de vergiffenis der jonge vrouw zal verwerven, tegen wie ik misdeed. Haar gemaal wilde na korten tijd zijn huwelijk verbreken en ik, gewonnen door zijn beloften, zijn goud en mijn eigen booze begeerten, gehoorzaamde aan zijn wil. Mijn hand rukte het heilige blad, waarop zijn bond bezegeld was, uit het kerkboek, en scheurde het voor zijn oogen midden door. Ik wil mijn daad niet verontschuldigen; dat ik arm was, dat de zorg voor het dagelijksche brood mij alle genietingen des levens roofde, wil ik niet als verdediging aanvoeren, maar dat ééne kan ik nog na verloop van zooveel lange jaren zeggen: het berouw, waaronder mijn hart al dien tijd heeft gezucht, greep mij reeds in dat eigen oogenblik aan. Toen mijn verleider vertrokken was, nam ik het verscheurde blad op, en hield het bevend in de hand, ik durfde het niet verder

Sluiten