is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den indruk op 't volk alles gelegen," zeide Galama, een der bedaardsten van de geheele onkrijgskundige groep.

»In elk geval moeten onze berichten van geluk spreken," hernam Waroux, luitenant onder graaf floorne en hoofdaanlegger der oorlogsplannen, die in zulk een onervaren omgeving konden gevormd worden.

«Zegt gij ook met den dichter: de wijze veldheer meldt de goede tijding, de slechte niet?" vroeg Tholouze glimlachend. #

»Ja, maar haal er geen citaten bij; nu zal het zwaard spoedig de teksten schrijven."

«De hemel leidde de bloedige taal, die het schrijft, ten goede," zeide Dalvilliers; «ik had niet gedacht, dat het daartoe zou komen. Het is bard, dat de regeering ons dwingt haar inet zulke middelen te bestrijden, waar een enkel woord ons in de onderwerping zou houden, die onze vurigste wensch is."

»Ik heb niets te verliezen dan het leven, en dat is, op deze wijze geleid, geen al te groot bezit," hernam Waroux onverschillig; «nu er geen veldtochten meer zijn om vooruit te komen, en de regeering ons niet bevordert, weet ik niet hoe wij nog lang onzen stand zullen kunnen ophouden en al de schulden, die op onze heerlijkheden staan, afbetalen; het is mij om 't even hoe de zaken gaan, als er maar een einde aan komt."

Tholouze en Dalvilliers schenen beiden die lustelooze en toch overmoedige taal ongaarne te vernemen; om hun echter een mogelijke bestralling af te snijden, begon Galama: »ik meen dat Zeeland niet mag worden prijsgegeven, en wij hebben weinig manschappen; zou het niet geraden zijn, als wij eerst een landing op Walcheren beproefden, en pas als die mislukte, naar Antwerpen afzakten?

liet plan vond den bijval der meesten, alleen Tholouze merkte twijfelend aan: «wie zou in dien tijd hier de zaken besturen? hadden wij slechts iemand om ons middelerwijl bericht te geven en de politieke betrekkingen te onderhouden, dan konden wij ons misschien verwijderen, maar...."

«Iemand als Meersvoude," zeide Dalvilliers.

«Hij is sluw en heeft invloed, doch...."

»Doch wat, Waroux? gij zijt immers met hem bevriend."

«Ja, zooals de meesten van ons; ik zie hem op onze feesten, klink en drink met hem, en verbeeld mij, als ik de hoogte heb, dat hij recht vertrouwelijk is, maar nuchter kan ik mij nooit meer iets van al die openhartige mededeelingen herinneren, en vrees dat ze eigenlijk van mijn kant kwamen. Hij is mij te glad en te kalm. Als hij zoo vloeiend en onverschillig praat, denk ook ik dat hij van niets kwaads afweet en nu slechts om zijn goederen in Antwerpen