is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen den persoon op, die hem dat het eerst had doen kennen.

Menschen, die groote misdrijven vergaven, kunnen onverzoen ijk zijn bij een kleine belecdiging, en de reden daarvan is niet moeielyk te zeggen. Waarom kan de dolkstoot vergeven worden, en de slag in het aangezicht niet? De misdaad kan zich tegen de edeler hoedanigheden der ziel gericht hebben, de beleediging tegen haar zwakheid; de eene was smart, de andere vernedering. Ieder heeft zijn punten, waar hij graag schitteren wil, en ongelukkig hebben juist die meestal geen licht; maar wee hem, die der wereld vertelt hoe

donker ze zijn, en de dwaze taalfout, de belachelijke buiging opmerkte,

waar men recht verstandig en sierlijk dacht te zijn. Ook mindei begaafden dan de groote Gustaaf Adolf hebben lmn page, die hen niet bedienen wilde, toen zij met den glans van hun hofhouding meenden te schitteren, en dien zij niet begenadigen, al vergaven zij den man die een aanslag tegen hun leven smeedde. Viale was voor Reinout geweest, wat de page voor den Zweedschen koning was iemand die hem bespot had, door hem den indruk van minderheid te laten maken, en dat vergaf hij nooit. Er was geen woord dat op zijn kwetsbare plek doelde, of het herinnerde hem aan den graaf,

en zijn geheugen ontving voedsel genoeg.

Zij die iets gewoons missen, voelen zich daardoor meestal ongelukkiger, dan zij die iets buitengewoons bezitten gelukkig zijn, want de taal van verwijt of bevreemding weerklinkt overal meer dan die van lof en bewondering. Reinout had nooit van zijn kameraden den lof van zijn meerder weten, zijn hoogere beschaving vernomen, maar vaak had hij de woorden van spottend beklag gehoord, waarmede men hem toesprak als hij eenzaam onder zijn krachtiger makkers stond, en ieder gezegde van dien aard had de wond, door Viale geslagen, weder opengescheurd, een wond, diep genoeg om na zooveel jaren nog te bloeden en in iederen druppel het gevoel van wraakzucht te ademen, van stomme, alleen uit machteloosheid onderdrukte

wraakzucht.

Maar nu was de trotsche graaf in ziju macht gegeven.

Iets van den triomf, die zijn lippen eenige maanden geleden had omspeeld, krulde ze ook thans, doch niet in zoo sterke mate. Wie Reinouts gelaat kende, die zou iets smartelijks in zijn donkere oogen gevonden hebben, dat wel in toorn fonkelen, maar, zelfs by het denkbeeld aan den gelukkigen uitslag van al zijn plannen, niet in vreugde stralen kon. »Ik kan hem vernietigen," sprak hij, »maar wat dan? waarmee voor mij opbouwen, wat ik voor hem in puin

De drukte der laatste weken had op Meerwoude een invloed uit-