is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geoefend, die zeer in strijd was met de levendiger aandoeningen, die zij elders in iedere borst opwekte; zij had hem terneergeslagen en hem een gevoel van eenzaamheid ingeboezemd, wat hij tevergeefs voor zich zelf ontkennen wilde. Al de menschen om hem heen verkeerden in een stemming van opgewondenheid, hij stond met zijn kalmte als een vreemdeling in hun midden ; hij hoorde overal de taal van 'gedachten die zijn oor vernam; zonder dat zijn hart een echo voor haar klank bezat. Waar een bloedig fanatisme voor de alleenheerschappij van het oude geloof streed, waar de geest der vrijheid goed en bloed voor de nieuwe leer wilde opofferen, daar zag hij slechts een spel van berekening, en waar de ziel der anderen vol van hoop en vrees, van gloed en verwachting was, voelde zijn ziel zich koud en leeg, want hij wilde niet dan verdeelen en afbreken, waar zij zochten te vereenigen en te handhaven; hij werkte voor zich, waar zij in naam van duizenden werkten. De edellieden met wier dwaze leus hij spotte, de burgers die jubelend hun kreet herhaalden, zij hadden het gevoel van gemeenschap, dat hij nooit gevoelen zou; hun aanblik, zooals Antwerpen hem dien dagelijks voor oogen bracht, herinnerde hem telkens aan een leed, dat geen vreemde hand hem geslagen had, waartegen geen wraak te richten viel. Ilij was alleen en zijn eenzaamheid was niet die eener groote, onvervulde gedachte; hij was niet de profeet eener toekomst, die zijn volk nog niet begreep; neen, uit het rijk dier idealen, waarin zijn natie haar luchtkasteelen bouwde, was hij uitgestooten, en stond in de woestijn, op wier dor zand zelfs geen bevruchtende hoop voor volgende jaren kon groeien. Zijn hart ging onder de ergste verlatenheid gebogen, onder geestelijke eenzaamheid. Hij zag met verachting op de Katholieke onverdraagzaamheid die zich godsdienst, op den Protestantschen oproergeest die zich vrijheid dorst noemen. Vaderland, vrijheid, godsdienst, al die idealen bestonden voor hem niet meer. Hij kon een doel bereiken, dat zijn naam gevierd zou maken, hij zou dan macht en gezag bezitten, maar verder, wat verder? Ongeveer tien jaren, rekende hij, konden verloopen om dat doel bereikt te zien, doch wat, als het bereikt was? Nu, het bestaan, dat een al te groote last werd, kon men van zich afwerpen. Zijn oogen richtten zich op de pistolen, die in het wapenrek aan den muur hingen. Tien lange jaren, en één schot zou alles doen eindigen; waarom zoo lang wachten? — Iets als een huivering greep hem aan. Hij had nog zoo kort geleefd, hij was nog in den bloei zijner jeugd; zou de loop van een pistool reeds hetgeheeleresultaat bevatten, dat zijn leven voor hem had weggelegd? Wat was het leven dan waard?