is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'/Gij die blind in het duister leeft, gij stervelengen, aan bladeren gelijk,

Onmachtig gebroed, beelden van klei, zonder kracht, als een wankelende schaduw, Gij vliegen eens enkelen daags, te zwak tot een vlucht, gij droombeelden, zonen

des janimers,''

prevelden zijn lippen halfluid, en hetzelfde gevoel van spottende bitterheid over den nietigen mensch, dat eens deze woorden ingaf, ging ook door zijne borst. Hij zuchtte diep, maar op dit oogenblik brak de stap van Da'.villiers, die het vertrek naderde, zijn gedachtengang af.

Met schrik bijna rees hij op, en trachtte zijn gewone uitdrukking van gelaat te hernemen; dan trad hij den edelman tegemoet en heette hem welkom. »Hebt gij waarlijk nog tijd genoeg om uw vrienden trots al uw vergaderingen te komen zien?" zeide hij; »ik was reeds bevreesd dat de politiek u geheel in beslag nam."

»Niet zoo dat ik mijn vrienden zou vergeten, maar ditmaal kom ik toch met een politiek doel."

»Gij wilt mij den inhoud uwer beraadslagingen meedeelen ? ik waardeer uw vertrouwen; wat echter heb ik met zaken te doen, waar ik buiten sta?"

«Waar gij thans nog buiten staat, Reinout; het is uw wensch geweest, en ik heb dien geëerbiedigd, buiten ons bond te blijven; de tijd was toen niet zoo ernstig, of hij gaf nog hoop op blijder vooruitzichten dan zich vervuld hebben, en ik kon dus zwijgen; thans moet ik spreken, ik moet uw oproepen om te deelen ..

»In wat ik niet deelen kan —" iets haastigs, dat zich van bet onderwerp wilde afmaken, kwam in Meerwoude's toon — »ik kan niet tot uwe partij behooren." Hij zweeg en vervolgde toen met gedwongen scherts: «mijn beste Dalvilliers, hoe is het mogelijk, dat mensehen als gij iets geven kunt om de meeningen van een zoo onervaren jonkman als Tholouze, van een zoo lichtzinnigen als De Burge, of van zoo onwetenden als de meeste overigen zijn?"

«Ik wil u niet met hun argumenten trachten te overtuigen, ik weet dat het vruchteloos wezen zou; weigert gij ook mij te hoorei» ?"

«Dat is een vraag, waarop niemand ja kan zeggen; alleen maar, stel den Protestant ter zijde; waarlijk geen atheïst heeft nog zooveel van de Godheden moeten lijden als ik; sedert ik haar bestaan ontkend heb, vervolgen ze mij," antwoordde Reinout nog op dienzelfden geveinsd luchtigen toon.

«Wees onbezorgd, ik zal niet in naam van mijn geloof, dat gij verwerpt, maar alleen in naam van uw eigen leven spreken."

«Dat laatste is een zaak, die iemand inderdaad nooit geheel onverschillig wordt, al leest hij ook al de wijsheid der Stoïcie en kent al