is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij wankelde. »Als ik zoo denken kon als gij." antwoordde hij eindelijk, «als ik den worm nog niet zag in elke bloem," — hij hield op en ging in hevige ontroering op en neer.

Daar klonken luide, joelende kreten; een geroep van:»weg met de papen!" drong in hun oor, en aan het raam tredend, zagen beiden een grooten hoop meest dronken volk schreeuwend voorbijstormen.

Het Antwerpsche gepeupel was om zijn kwaden, losbandigen zin berucht; de vreemde elementen, hier uit alle landen bijeengekomen, hadden het met de ondeugden dier volken bekend gemaakt, zonder hun degelijker kern ook mee te deelen, en zoo was de menigte, die Reinout thans voorbij zag trekken, een getrouw beeld van al liet vuil uit verschillende naties saamgeveegd. De Engelsehen hadden hier hun ruwheid, de Duitschers hun slemperij en de Franschen hun lichtzinnigheid gebracht, waarbij een goed deel van Spaansche traagheid dat onbehaaglijke mengsel kroonde. Antwerpen was een rijke, bloeiende stad; doch gelijk de armoede overal het verbitterdst is, waar zij door haar contrast met rijkdom en welvaart zich zelfheeft gezien, hadden de eigen oorzaken, die den geest van welstand en orde bij de burgerij wekten, bij het gepeupel alle slechte geesten wakker geroepen, die rijkdom en pracht daarin brengen kunnen, zoodat ook zonder het fanatisme, dat thans de gemoederen opwond, hier veel ontvlambare stollen bijeenwaren.

Met gloeiende gezichten en schorre keelen verspreidde zich een deel dier ontevreden massa' (hans door de straten. Voor de huizen der edelen hielden zij meestal langer op, en het geschreeuw: «vrijheid, vrijheid, loven de Geuzen!" klonk hier het luidst. Ook bij Reinouts woning maakten zij halt, en hieven de verhitte hoofden omhoog, met hun volkomen onvermogen om zich te beheerschen een akelige spotternij op hun eigen leus vormend.

Door Meerwoude's leden ging een huivering. »Uw bondgenooten!" zeide hij op onbeschrijflijken toon tot Dalvilliers.

Deze haalde de schouders op. »Het koren moet zijn kaf hebben; het gepeupel moet tegen Spanje rebcllecren, opdat wij er tegen strijden kunnen."

De warmer gevoelens in Reinouts borst bevroren weder, koel stond hij plotseling tegenover zijn bezoeker. «Voor wie strijdt gij dan, zoo niet voor dit volk?" zeide hij; «neen, toon mij eerst een natie, en roep mij daarna om voor haar zaak te kampen. Zooals ze nu is, vraag brandewijn en brood voor haar, maar geen vrijheid."

«Zij zal worden; die gij gezien hebt, zijn uitzonderingen, wij behoeven "

«Immers slechts te zien wat wij willen zien," lachte Reinout; «vergeef