Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derde hoofdstuk.

Weh, wenn sich in dom Schooss der Stad te Der Feuerzunder still gehiiuft,

Das Volk, zerreissend scinc Kette, 7.ur Eigenhttlfe schrecklich greift!

Da zerret an der Gloeke Strangen Der Aufruhr, dass sic heulend schallt, Und, uur geweiht zu Friedensklangen. Die Losung anstimmt zur Gewalt.

Schiller.

Er broeide iels, had Eelco gezegd, en vele stemmen herhaalden dat woord. Het was alsof ieder voelde, dat een zware storm moest opsteken om de lucht van die verstikkende dampen, die haar vervulden, te reinigen, of de smeulende vuren, die ze opzonden, zouden in open, lichtelaaie vlam overslaan. Een crisis moest komen: het was geen voorgevoel meer, het was zekerheid, die dat in aller borst uitsprak. Er zijn tijden, waarop elkeen begrijpt, dat het bestaande onhoudbaar is, al zien ook slechts enkele heldere oogen verder dan zijn vernietiging, op de wordende toekomst.

Zij liet zich niet wachten, die crisis. Helaas, het was niet de zuiverende storm, het was de verterende brand, dien zij bracht.

In onze geschiedenis staat een bladzijde op welke het oog niet dan met weemoed rusten mag, en ze is door die dagen er in geschreven. Vele zijn met meer bloed, met meer tranen is er geen gedrenkt, want de daad, die zij verhaalt, heeft door haar teugelloosheid de zaak der vrijheid voor jaren geknakt en der tirannie een scherp wapen in de hand gegeven, dat haar roestend zwaard verving.

Op den veertienden Augustus 1506 begon bij St. Omer de "beeldstormerij.

Lij de abdij van Welveghem in het Henegouwsche was een hoop volks saamgeschoold, uit de helTe van het gepeupel voortgekomen, en door de fanatieke rede van eenige ij veraars verhit. Sommigen

Sluiten