Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moedige herinnering de ziel bekruipen, en de gedachte, hoe zijn verlies eenmaal beweend zou zijn, wekt de tranen op, die anders zijn gemis thans niet meer kosten zou. Zulk een soort van droefheid voelden in die dagen vele Katholieken; het was niet onnatuurlijk, dat zij zich mede van Edward meester maakte. Hij had in de streken, die nog vol waren van zijn herinneringen aan een vroeger geloof; ook iets van de oude gedachten in zich voelen opkomen, en hij verkeerde daarenboven in een toestand, die zeer vatbaar voor de smartelijke vereering van gevallen idealen was; zoo moest de beeldstormerij een diepen indruk op hem maken.

Er zijn menschen, in den grond van hun karakter meer met ernst dan met luchthartigheid vertrouwd, die toch tot vlagen van opgewondenheid komen, waarin zij al wat ernst en gedachte heet trachten w eg te schei tson of althans af te weren. Het gebied eener oppervlakkige vreugde is hun vreemd, maar zij hebben het eenmaal betreden, en moeten er dus hun misstappen doen. Met een geest vol van de hoogste denkbeelden en plannen, met een hart vol gevoel voor menschelyken strijd en kommer, willen zij zich onder de scharen eener blijde, genietende wereld mengen, die slechts blijde is en geniet, wijl zij niet denkt en gevoelt. Hun ziel wil de vreugde smaken van het paradijs, na gegeten te hebben van den boom der kennis. Die onbezorgde, schoone wereld lokt zoo zoet, zij willen instemmen met den lach, die er op bloeiende lippen woont, en met de oogen zien, die slechts zonneglans aanschouwen. Het is een der meest verschoonbare dwalingen, en toch een die het hardst wordt bestraft. Helaas, de oogen, die zulk een blik wilden aannemen, spoedig ontdekken zij, hoeveel smart, die naar troost en hulp verlangt, zij dan over het hoofd moeten zien; de lippen die zulk een glimlach willen dragen, hoeveel woorden spreken zij die onbegrepen voorbijgaan. De zorgeloosheid die eerst benijdbaar scheen wordt lichtzinnigheid, de vreugde die van geen beslommeringen wist hardvochtige zelfzucht, en uitde bloemen, die zoo bewonderend bloeiden, ziet een gedachtelooze levensbeschouwing verbaasd den denkende aan, die ze plukken wil. Van dien aard was de ervaring, die Edward gemaakt had. Hij was getuige geweest der genietingen, zooals ze aan het hof gesmaakt werden, hij had met afgunst een De Burge gadegeslagen, die zoo luchtig het leven opvatte, en diens voorbeeld willen volgen, vergetend dat hem juist het noodigste daarvoor ontbrak, een natuur als die van De Burge. Silvias elfen voorhoofd, waarop geen zorg haar rimpels geschreven had, behaagde hem, maar hij vergat, dat de ernst zijner denkbeelden het zou bewolken, zoodra ze er in deelde; hij vergat, dat men van oogen, alleen om hun helderheid gekozen, geen blikken

Sluiten