Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altaren ontheiligde, en kunstwerken, wier vervaardiging een menschenleven had geëischt, binnen weinige oogenblikken vernielde, — liet gezicht der leege, door allen verlaten godshuizen, met hun gebroken beelden, hun stukgeslagen sieraden en omgewoelden grond, verlicht door de zonnestralen, die, niet meer door het beschilderde glas getemperd, door de openingen der gebroken ruiten in akelige helderheid heendrongen, dat gezicht deed zelfs het bloed van hén stollen, die tijdens het oproer hun kalmte bewaard hadden. Nu eerst was de verwoesting in geheel haar omvang te kennen, en nu eerst vroeg ook de huiverende beschouwer: hoe zal zij gestraft worden? Het gevoel van schrik week, en de toorn, de rechtvaardige toorn kwam, maar tegelijk ook de vrees dat wat zwaar misdaan was nog zwaarder geboet zou worden.

Het vergrijp dat in minuten volbracht was, hoeveel nog ongeleefde jaren zou het vernielend dooden!

De Heidenen droegen hun wraak aan de Godheid op, wier gerecht geen zonde onbestraft liet, en Zeus zelf boog zicb voor de macht van Nemesis. Zeus was slechts voor hen, die naar de wet van het edele geleefd hadden, een machtig God; goed en kwaad waren gescheiden, en die 't ééne beheerschte kon niet ook over 't andere regeeren. Door de heidensche wereld in al haar vormen gaat die trek. Alleen de Joden vereenigden het begrip van liefde en wraak in éenen God, en daarom werd hun God streng en hard, want de wraak verdrong, evenals in hun borst, de liefde, en als een verlossing klonken eindelijk van Galilea die woorden: »hij doet zijn zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen."

Ja, God oefende geen wraak, maar daarom — want het werkelijke leven kwam tegen dat ideaal der verzoening op — daarom moest de mensch ze oefenen, en hij oefende ze wreeder en onverbiddelijker, dan vroeger de Godheid, wanneer zij hem tot haar werktuig koos, door zijn hand had gedaan.

Nu was liet zulk een tijd, waarin zich de hand geroepen achtte het straffende zwaard te grijpen, en zij zou het onverbiddelijk voeren, want de hartstochten waren losgemaakt, en de oogen hadden geweend, zoodat ze verblind waren van tranen, en niet konden zien waar hun toorn trof.

De ontsteltenis was voorbij; men had gezien, dat het geen machtig Protestantsch leger was, waarmee men zoo plotseling te doen had, en de regeering, die nu uit haar bedwelming ontwaakte, besloot zich in al haar macht te toonen. Zij moest haar majesteit doen uitkomen, en zoo zij maar al te genaakbaar voor vrees was geweest, het

Sluiten