Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlucht zijn, het hart dat nooit brak, omdat het nooit een voorwerp bezat waarvoor het kloppen en breken kon, zal zich tot al wat druk en woelig en afwisselend is getrokken zien, het zal gaarne handelen, omdat het niet gevoelen kan.

Ook voor Margareta had het geluk der liefde nooit gebloeid. Haar hand was de wissel geweest, waarop haar keizerlijke vader een vermeerdering van invloed trok; op kinderlijken leeftijd reeds weduwe, was zij als vrouw de echtgenoot van een knaap geworden, en kon zij alleen van huwelijk, niet van huwelijks-genegenheid spreken. Ter wille der heerschappij was zij tweemaal verkocht; moest zij geen groote waarde toekennen aan de dingen, die zelfs een vader zooveel hooger scheen te stellen dan het geluk van zijn kind, of liever, waarin hij voor haar al het geluk zocht? Gade zonder gemaal, moeder zonder kind, — want haar gemaal was in den vreemde en haar zoon een gijzelaar aan Filips' hof, — wat was zij als de kroon der vorstin haar ontvielEen schaduw van vervlogen glans op dagen der eenzaamheid geworpen.

Eenzaamheid, het woord was haar vreeselijk.

Zeker, er is vaak daarin niets bitters. Als de vermoeienis deijaren gekomen, de vreugd genoten, het leed doorleefd is, en het hart ophoudt in onrustige verwachting te kloppen, dan ligt er iets zoets in het denkbeeld nog een kalmen tijd voor zich te hebben; dan behoeft hij dien zijn plicht deed, niet voor die eenzaamheid te vreezen, hij zal haar leegte met zijn herinneringen vullen en niet verlaten zijn.

Maar het hart, dat geen herinneringen heeft, moet voor die stilte sidderen. Er is in het gemoed dat geen vreugde kende een leegte, tot welke het oog nooit mag neerdalen; het moet in de volle wereld zien om geen tijd tot eigen waarneming te hebben, en zoo vreest het alleen te zijn, — alleen met zijn niets.

Instinctmatig gevoelde Margareta die nooit uitgesproken noodzakelijkheid in al de uren, die geen bezigheid van haar ambt vulde en die zoo nietig schenen, dat liet was alsof de tijd ze tot een dubbele lengte uitspon; zij gevoelde haar in oogenblikken als deze. Nu men haar het gezag ontnemen wilde, herinnerde zij zich, dat het gezag wel niet haar eenig geluk maar toch haar eenig schild tegen het >itterste ongeluk was, en wel mocht zij op angstigen toon vragen: «gelooft ge mij misschien reeds zóó zwak, dat uw diensten verspild zouden zijn? om dan hartstochtelijk te vervolgen: ik zal mij handhaven, ik kan, ik móet zegevieren!"

Er sprak zulk een pijnlijke opgewondenheid uit hare woorden, dat Edward zijn afkeuring in medelijden voelde veranderen. Hij antwoordde wel even beslist, maar met meer deelneming: «Genadige

11 1IAOÜN VAN STUUD. JU - °

Sluiten