is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den jongen edelman zelden lang duurden, vervolgde hij op een toon, die wel wat al te luchthartig was om heel natuurlijk te klinken: »kom inee, Meerwoude, het is zoo duivelsch heet, dat wij eens beproeven moeten of wij ergens een verfrissching kunnen opdoen. Dood is immers toch dood. Die arme Dalvilliers! waarachtig — maar kom, er is niets aan te veranderen. Weet gij nog wel, hoe goeden wijn hij schonk ? ik herinner mij niet ooit beteren gedronken te hebben."

Door Reinouts leden ging iets, dat naar een huivering geleek. Hij wenkte de Burge niet op hein te wachten, en toen deze gehoorzaamde, zeide hij met een ironie, die smartelijker was dan hij zich zelf bekennen wilde: »een staaltje van de lijkredenen onzer vrienden! wie zijn uitvaart kon bijwonen en dan het leven nog eens beginnen, hoe anders zou hij leven!" Somber ging zijn blik Over het geheele tooneel. De doorschoten, van de vlammen geblaakte muren der houten loods, de met stroo bedekte bodem, de half ontkleede lijken, die hier en daar verspreid lagen, hoe vreemd staken zij al bij de omgeving waarin Dalvilliers gewoon was te leven! welk een hard sterfbed hadden de beginselen, waaraan hij dit blijde bestaan opofferde, hem bereid! Nog eens riep Reinout zich het verleden in het geheugen; hij bezielde die trekken met hun verloren leven, en opende die voor altoos gesloten lippen om nog eens de woorden te vernemen, die bijna een beslisseuden invloed op zijn lot hadden geoefend, en die toch zoo ijdel waren geweest. Dat was nu de prijs voor het zoo moedig gebrachte olfer: een smadelijke dood en, instee der begeerde vrijheid, alleen een vermeerdering van macht voor de landvoogdes! Dat was, zeide hij met bitterheid, de prijs, dien de werkelijkheid aan elk ideaal bracht! Hij hoorde het woeste getier der overwinnende soldaten, waaronder zich het gepeupel, als altijd gereed om de zege te aanbidden, met zijn schorre kreten mengde, en de gedaante van den lieren edelman, met zijn ridderlijken trots, die het hoofd nooit voor macht en geluk boog, scheen besmet te worden door het denkbeeld, dat dit zijn tegenstanders of bondgenooten geweest waren. »Eu voor de vrijheid dezer menschen zijt gij gestorven," sprak Reinout. «Voor een waan van zaligheid leven en voor een waan van zaligheid sterven, dat was uw lot; en gij waart één van hen op wier pad de fortuin haar bloemen strooide; wat blijft over voor hem, dien ze niet uitverkoor?" Hij bukte zich en beschouwde nog eens dat gelaat, waarop geen vraag ooit meer zou te lezen staan. »Gij hebt het antwoord gevonden," zeide hij; in het niet, waarin wij allen zinken, zijn geen vragen meer," en dan zijn mantel losmakend, breidde hij dien over den doode uit; het was hem als moest hij die