Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cd liet enkele woord dat haar oor toen vernam, en «lat in zijn kortheid alles zeide; niets dan het drukkende, hopeloozc gevoel dat op haar lag, terwijl een vriendenarm haar medelijdend wegvoerde. Zij had bereidwillig gehoorzaamd, de duisternis was immers aangebroken; maar met den eersten morgenstraal had men haar weer op haar post zien verschijnen, de plaats waar zij eerst als gelukkige gade, waar zij toen als heldhaftige deelgenoot in den strijd, waar zij nu als vernietigde weduwe wacht hield. »Ik moet naar hem toe, ik moet zijn lijk vinden," hadden haar lippen op al de redenen geantwoord, waarmee men haar trachtte terug te houden, en zoo stond zij nu, onbeweeglijk tusschen den bewogen volkshoop, doof voor zijn kreten, blind voor zijn toorn, strak voor zich uitstarend, als meende zij onder de hoopen van dooden op het bloedige veld haar echtgenoot te kunnen herkennen, en met geen andere gedachte dan hoe zij het dierbare gelaat zou vinden, dat nu voor altijd koud en roerloos geworden was. Ieder maakte eerbiedig plaats en sprak woorden van deelneming tot haar, doch zij hoorde niet, het waren woorden van vreemden, die haar slechts konden herinneren, dat niet zijn lippen meer in die taal zouden spreken, en zij vielen in haar hart als zaadkorrels op een rots, die geen aarde heeft om ze wortel te doen schieten. Er was maar één klank, die een vluchtig leven in haar doode trekken bracht, het was de naam Lanoy; eerst als diens troepen aftrokken, zou zij naar het terrein van den strijd kunnen gaan en het lijk van haar echtgenoot zoeken. Reikhalzend zagen haar blikken naar ieder die de poort naderde, zij vestigden zich ook op Reinout, en een zwakke kreet van smart drong over haar lippen. Snel trad Meerwoude op haar toe. «Gij hebt hem gezien?" fluisterde zij.

«Helaas, ik heb hem niet kunnen redden," antwoordde Reinout met oprechte aandoening; hij vatte haar bevende hand en zeide haar dat Dalvilliers' lijk niet in de handen der vijanden gevallen was; dan trachtte hij haar met zachten dwang weg te leiden. De jonge vrouw scheen door zijn bericht een oogenblik tot kalmte gebracht, doch plotseling liet ze zijn arm los, en zich tot de menigte wendend, riep zij met een hartverscheurenden gil: »o waarom hebt gij allen niets gedaan om mijn echtgenoot te redden?"

«Vraag dat aan hem, die bevel gaf de Meerpoort te sluiten, toen duizenden ter hulp gereed stonden; vraag het aan den grooten vriend der hervormden, die zijn trouw zoo glorierijk hield, dat hij ze met het bloed dei- drieduizend man bezegelen kon, welke bij Oosterweel voor zijn zaak gestreden hebben," sprak Reinout vol bitterheid.

Een kreet, die niets menschelijks meer had, zoo huiveringwekkend was zijn toon, beantwoordde die aanklacht, maar alle vloeken en

Sluiten