Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grieven die misschien komen zullen, of die vroeger waren; gij wilt aan liet verleden een wraak geven, die het niet mag oefenen, aan de toekomst een bestaan, dat zij nog niet bezit. Het bij Oosterweel vergoten bloed is niet nutteloos gevloeid. Zoo het kon dienen om de regeering na een ongehoord misdrijf te verzoenen, beweent dan de mannen, die u den vrede kochten, maar bevlekt hun nagedachtenis niet door een schuld, erger nog dan de beeldstormerij. Kn zoo de toekomst hun recht mocht geven, ook dan zijn zij niet vruchteloos gevallen. Zoo zij voor een zaak sneuvelden, die eenmaal de ware heeten zal, heeft die zaak hun een eeuwigen roem verleend; zij zijn de eerste schakels in een keten binnen welke dan ons aller leven zal besloten liggen, een zoenoller voor de uitspattingen van een verzet, dat zich vrijheid noemde, toen het nog slechts ruwe opstand was, maar tevens de voorloopers eener ware, wettige vrijheid. Ik heb geen leger om het geweld, dat gij kunt plegen, te bedwingen, maar zoolang ik nog een stem heb die u raden, een arm die u terughouden kan, zoolang zal geen man het wapen tegen één zijner medeburgers opheffen, en binnen Antwerpen zal geen bloed vloeien, geen broedermoord heerschen, ol dat wapen moet eerst deze borst hebben doorboord."

Er heerschte een diepe stilte. Ieder wist dat dit woord zou gehouden worden, en de oude liefde, eens voor den prins gekoesterd, was ouder den indruk zijner taal, bij het gezicht zijner onverschrokkenheid, toch weer in aller harten opgekomen. Zoo hij het leven van anderen gering achtte, ook zijn eigen leven dorst hij wagen, zij voelden de rechten van den moedigen man. Nog eenige seconden aarzelden zij, dan sloegen de fonkelende oogen zich neer voor den vasten, helderen blik, die ernstig op hen rustte, de gebalde vuisten lieten haar wapens varenen — »leve de prins van Oranje! klonk het.

Op dit oogenblik trad een tengere gedaante eensklaps vooruit. De menigte week ter zijde, als schaamde zij zich buiten haar 0111 beslist te hebben. Het was Dalvilliers' gade. Nog rustte het doodelijk bleek, maar niet meer de uitdrukking van overspanning op haar gelaat, die er gewoond had toen zij bewusteloos neerstortte; kalm zag zij het volk aan. »lk dank u voor die beslissing," sprak zij met vaste stem, »ik dank u er voor, dat gij den doode niet met een wraak wilt eeren, die hij zou verworpen hebben; dat gij mijn eigen stem niet gehoord hebt, waar zij een kreet slaakte, die nooit meer ovei

mijn lippen zal komen."

Zij wendde zich tot den prins: »ik heb u aangeklaagd als den man, die mijn echtgenoot aan een vreeselijken dood prijs gat, ik herroep die aanklacht. Gij hebt in naam van datzelfde beginsel gehandeld,

Sluiten