Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, kan ook het liefste aandenken worden uitgewischt. In de school der ontbering leert men langzamerhand, met veel moeite en droefheid zooals iedere kennis wordt geleerd, de groote levenstaak van missen en afstand doen. In dien zin had ook Helene geleerd.

Zelfs de grootste klacht kan ten laatste geen woorden meer vinden, en de diepste wond sluit zich. Een nieuw leven vangt aan, een kalm maar tevens dood leven. Het is dat bestaan, 't welk den dag begroet zonder lust en den avond zonder verlichting, een bestaan voor 't welk de kracht der gewoonte de eenige steun is. Zij stompt langzaam het gevoel af, zij doodt langzaam dat in het begin nog zoo krachtig bewustzijn van eigen hopeloosheid; de sombere woorden, waarmee in het eerst de morgen van een dag begroet wordt, die niets gelukkigs meer brengen kan, verstommen, want het volle gevoel voor geluk of ongeluk gaat verloren, en dat is het geheim, dat menig oog, hetwelk wij in tranen verwachten, zoo kalm en helder maakt.

Hij Helene was deze toestand nog niet gekomen, daarvoor was zij te jong; maar toch was na de groote smart, die haar hart had doen bloeden, de rust er in teruggekeerd, die op eiken storm volgt, en die het hoofd weer doet opbellen, als de onvermijdelijke slag, die het een oogenblik bedwelmde, gedragen is. Zij had haar liefde ijdel gezien, en voor korten tijd gehoopt dat de dood komen zou, nu haar het leven niets meer kon schenken; maar het leven duurde voort, en herinnerde haar met al zijn dagelijksche plichten, dat begraven geluk ons geen graf delft, en dat de plant niet sterft al is haar bloem ook gebroken. Zij moest leven, en toen had een stem in haar borst gesproken: «draag het onvermijdelijke zwijgend, wees sterk!"

Zij was sterk geweest. Haar lippen hadden niet geklaagd, en haar hart was stil geworden, zoo stil, dat zij vaak dacht of nog iets anders daarin gestorven kon zijn dan haar klacht, het gevoel zelf, het gevoel voor haar omgeving, voor de wereld daarbuiten, vooral watmenschelijke harten in ontroering doet trillen. De dag kwam en ging, zij gaf er nauwelijks acht op; zij zag niet reikhalzend uit naar een ver verschiet, onverschillig zag zij den morgen geboren worden en den avond sterven. Er rustte een dolle, zwijgende eentonigheid op haar leven, die haar gedachten niet meer zochten af te breken; zij aanschouwde de toekomst nooit als een liefelijk droombeeld, met de bloemen der hoop bekranst; de toekomst lag als een reeks van jaren voor haar, even traag in het verloopen, even kleurloos als het heden. Zij zou andere boeken lezen, andere manuscripten afschrijven, maar overigens zou alles blijven zooals het was. Zelfs de mogelijkheid van een verandering, door de hand des doods teweeggebracht, deed zich geen oogenblik aan haar voor; dat zij nog meer verliezen kon, dat kwam niet in haar gedachten op,

Sluiten