Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want deze hadden haar scheppende kracht verloren. Zij kon zicli niet meer in nieuwe toestanden verplaatsen en verder denken dan het bestaande. In den kalmen loop van haar levensstroom was gedurende korten tijd een sneller beweging gekomen; zij had nieuwe, schoone oevers gezien, het was zomer geweest, en zij had gemeend de zonnige streek, die voor haar lag, te bereiken; maar de winter was te snel ingevallen, hij liad zijn vorst over het warme landschap en over den stroom gezonden, die zich met verlangen er heen richtte, en toen had die stilgestaan. Het ijs dat hem dekte was te zwaar, hij kon zich niet daarvan bevrijden, hij droomde niet meer van nieuwe oevers, het eenige wat hij wist was dat er een tijd zou komen, waarop ook dat gevoel van onverschilligen, hopeloozen stilstand ophouden en de diepe zee bereikt zou zijn, waar iedere stroom heenvloeit, de zee die geen begin of einde en die geen golfslag meer heeft. Ilelene dacht dikwijls aan die zee, maar geen wensch, dat zich de stroom van haar leven sneller daarheen mocht richten, kwam in haar op; het denkbeeld, dat wenschen ingeeft, had haar verlaten, zij geloofde niet meer aan hun vervulling.

Ei- is een moedeloosheid, uiterlijk geheel overeenstemmend met kalme berusting, maar zij sterk{ of troost niet gelijk deze, neen, zij put uit en neemt de krachten weg, die noodig zijn om den nieuwen schok, die komen moet, te doorstaan; want zulk een toestand kan op jongen leeftijd niet voortduren, er moet, zooal geen nieuwe vreugd, dan toch de schok van nieuw leed tegen die onverschilligheid aandruisehen, en wee dan der natuur, die geen macht tot weerstand meer in zich voelt!

Helene had geen vermoeden, hoe nabij haar de crisis reeds was, die een omkeer in haar lot en denkbeelden zou teweegbrengen. Zij had in 't laatst wel een zonderlinge gejaagdheid bij Filips opgemerkt, zij had wel tusschenbeide een vraag gedaan, maar de jonge man was zoo zelden meer tehuis, hij vermeed zoo behendig haar tegenwoordigheid, dat zij tot geen gesprek kon komen, en haar geest was te diep neergedrukt, om meer de mogelijkheden, die dat zwijgen in zich borg, te berekenen. Zij maakte geen gissingen, en in die oogenblikken, waarop, haar zelf onverklaarbaar, een voorgevoel van onheil zich van haar meester maakte, wist zij zelf niet recht, op welk punt zich haar vrees eigenlijk moest richten. Een vage angst kan elk geluk verstoren en den ledigen geest met duizend gedachten vullen, maar op het hart, dat door een groot werkelijk leed gedrukt wordt, zullen die schrikbeelden weinig vermogen; ook haar gedachten toefden slechts zelden bij de eens met zooveel zorg berekende gevolgen van haar broeders gedrag.

Sluiten