Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens kettersche paleis op den dwependen Katholiek wachtte, die er nu zijn zetel had opgeslagen.

Toch was de groet van den nieuwen machthebber koel genoeg. Hij ontving Meerwoude met zulk een terughouding, dat de meeste adellijken, die vroeger tot de partij van 't verzet behoord hadden, verbaasd ontdekten, hoe de bejegening, die zij genoten, eigenlijk veel minzamer was. De hertog scheen de zaken anders op te vatten dan de landvoogdes, en zij verwonderden zich dat Reinout onder de hoffelijke maar ijzige statigheid van Alva zoo bedaard bleef.

8 Hij zal geen gunsteling worden," zei De Burge tot den graaf van Nivelde, met wien hij de audiëntie verliet, op een toon, die al het genoegelijk medelijden uitdrukte, dat bij zulke gelegenheden voor den al lang benijden vriend gekoesterd wordt; »de hertog ziet gelukkig in, dat een geloovig Katholiek, die misschien eens dwaalde, toch beter is dan zulk een halve Heiden; ik geloof dat hij zich ook niet zoo onbezorgd moet voordoen, het kon nu wel eens anders gaan dan bij vrouwe Margareet."

Nivelde zei niet veel, mogelijk begreep hij Reinouts gerustheid beter, en De Burge zou dat ook gedaan hebben, als hij het verschil gezien had dat er soms tusschen geheime en openbare audiëntiën kan wezen.

In het privaatvertrek van den hertog van Alva had een andere ontvangst plaats.

De veldheer was met Meerwoude en een zijner Spaansche raadslieden in ijverig gesprek verdiept.

liet was avond en de straal der lamp viel helder op het gelaat der beraadslagenden, zoodat hun trekken zich scherp van het donker der zaal en hun eigen donkere kleeding afteekenden; ook de hertog van Alva was nu beter te kennen dan bij de plechtige audiëntie. Hij had zijn pronkgewaad afgelegd en leunde met het hoofd denkend op de hand.

Een algemeene haat heeft de gedaante van dezen man in herinnering gehouden, als om te zeggen in welk beeld zich wreedheid en willekeur konden belichamen; maar wat ook in zijn binnenste omging, zijn voorkomen had niets van het afschrikkende, dat de angstige blik daarop zocht. Hij was rijzig en welgemaakt, terwijl zijn rechte houding en de stroefheid zijner bewegingen hem, wanneer hij ging of stond, als krijgsman deed kennen; doch zooals hij nu peinzend neerzat, liet zijn mager, geelbleek gelaat, met de scherpe maar regelmatige trekken en het ernstige voorhoofd, waarop zich zware rimpels vertoonden, meer den denker dan den veldheer in hem vermoeden. De dichte baard, die lang neerhing, droeg mede tot dien indruk bij, en ofschoon in zijn waardigheid zich een groote hoogmoed mengde, was deze aan

Sluiten