Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoel verdween even snel als het gekomen was. Zij mocht niet meer vergeten in dien gelukkigen zin harer liefde, zij was de bruid van een ander, en Edward voor haar slechts een vreemde; haar leven was even onherroepelijk beslist als zij thans het zijne zou beslissen. Zij had Reinout een recht verleend, dat geen genegenheid kon vernietigen. Haar trots had zich niet tot Edward willen wenden; zij moest nu de hand afwijzen, die haar hoogmoed niet had willen vragen, en die haar te laat werd toegestoken. Neen, zij kon niet voor Reinout staan en hem om haar vrijheid smeeken, niet zijn hoonende vraag hooren of zij nu schoon genoeg voor Melville was. Plichtgevoel, schaamte en fierheid, alle geboden haar het eens gegeven woord gestand te doen, al zou het geluk van haar leven ook de prijs moeten zijn.

Als een woeste stroom waren deze gedachten over haai'gekomen, maar nu was haar stem kalm gelijk de wateren, wanneer de winter er zijn ijskleed over heeft gespreid: »ik dank u, Edward, gij zijt altijd mijn vriend geweest, en ik wist, dat de nood u niet veranderen zou, maar uw hoede mag ik niet aannemen; ik ben verloofd met Reinout van Meerwoude."

Het woord was gesproken. Een zware last scheen plotseling op Edwards borst te zinken; hij voelde dat elke druppel bloed zijn gelaat verliet en zich naar zijn hart drong, maar geen geluid kwam over zijn lippen. Werktuigelijk richtte hij zich op. Hij wist nu dat ook deze hoop ijdel was, en tegelijk scheen het hem als werd hij thans eerst gewaar, hoe sterk ze geweest was. Hij raapte al zijn kracht bijeen en zeide iets wat zijn oor nauwelijks zelf vernam; hij voelde dat haar hand een oogenblik in de zijne ruste, maar hij hoorde haar woorden niet, hij zag alleen haar gelaat, zooals liet zich nu, door het schijnsel der mat brandende lamp verlicht, uit het donker voor 'teerst naar hem ophief. Bleek, doch tevens stil en koud als marmer, met de sporen van diep leed, maar ook met een vastberadenheid die het leed overwon, zoo stond zij daar en sloeg de oogen kalm naar hem op, zoo kalm als wist zij niets van de bange spanning, waarmee zijn blik aan haar trekken hing. Hij hoopte, hij zocht naar een teeken van nog niet overwonnen gemoedsbeweging; dat gelaat sprak van een leed, eertijds gedragen ; was het geheel voorbij ? Was zij werkelijk voldaan als bruid van zijn ergsten vijand? want hij wist dat Reinout dit was, — van den man, die haar hand misschien door lage middelen had gekocht? was haar liefde werkelijk geheel gestorven? Hij zag niets in haar dan de luid sprekende sporen van een vervlogen tijd en het zwijgen van een heden, dat hij niet verstond, geen belofte voor de toekomst, geen troostende herinnering uit het verleden.

Sluiten