Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht bezat die sterke Viale soms! Weer vielen hem de hoonende woorden in, welke deze zoo pijnlijk saamgetrokken lippen eens tegen hem hadden uitgestooten. De bitterheid waarmee hij ze herdacht, had hun scherpte nog vergroot, want zijn geheugen was als een kapitaal, dat naarmate het langer moet uitstaan, slechts te meer interest geeft. »Zoudt gij niet gemeend hebben, heer graaf," ging hij vooi-t, »dat de menscli een zoo gemakkelijke leer als die der absolutie wel nooit in twijfel kon trekken ? het moeten sterke naturen geweest zijn, die zich zoo vast op haar deugd verlieten, of zij hebben dien schijn aangenomen om onder haar strenge woorden eigen tekortkomingen te bedekken. Ik vrees dat wij in dit opzicht ook hier zooveel gesluierde beelden hebben, dat wij de waarheid niet alleen

te Saïs moeten zoeken."

De graaf richtte zijn liooge gestalte op, en het was met zijn vollen adeltrots dat hij sprak: «iedere misdaad draagt haar straf in zich zelf; haar aan liet oog der wereld te ontdekken, is slechts een nieuw onrecht, althans waar het de eer van een aanzienlijk geslacht geldt. De edelman, die een dwaling beging, mag zich nooit uiten; hij beschimpt daardoor zijn eervollen naam, en zijn erkenning van schuld is een zwakheid, die alleen toont, dat hij niet den moed bezit om de gevolgen van zijn misdrijf zwijgend te dragen."

Viale's strenge toon scheen Reinout te verwonderen, hij bracht het gesprek op andere onderwerpen. Terwijl hij met belangstelling over de kunstwaarde der portretten sprak, die het vertrek sierden, was zijn gedrag zoo ongedwongen, dat 11 ij volkomen natuut lijk scheen, en zijn levendige conversatie liet zelfs den graaf voor 't oogenblik den tegenzin vergeten, dien Meerwoude anders in hem opwekte. Hij deed zijn bezoeker met ongewone minzaamheid uitgeleide; achter dat onbewolkte voorhoofd kon hij geen donkere plannen vermoeden.

Reinout had zijn doel bereikt. Hij was er nu zeker van, dat de graaf Edward nimmer zou willen erkennen; de liefde van Viale was toch nog minder groot dan zijn hoogmoed, en wanneer de wereld ooit een ander licht over den tot nog toe zoo geëerden edelman zou zien opgaan, dan moesten de papieren, die hij bewaarde, dat verspreiden. Hij had ze nog nimmer onder vreemde oogen gebracht; de hand, waarin hij ze wilde leggen, was nog niet gereed; maar hij wist nu, dat die hand ei' alleen als wapen gebruik van zou kunnen maken.

«Hebt gij iets van Melville gehoord?" vroeg hij dien avond aan Eelco.

«Ja, dat hij zich zóó druk met de nieuwen ophoudt, dat het geen goed nieuws meer is. Dat moest de graaf eens weten, niet waar (Jw Edelheid?"

Sluiten