Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts met moeite vorderden; maar uit zijn oogen straalde nog datzelfde vuur van vroeger dagen, alleen reiner, als t ware gelouterd. Het scheen of met de gedachte aan het afscheid van de aarde ook het aardsche geweken was; de bitterheid, die eertijds in zijn blik kon branden, als hij zijn vijanden gadesloeg, had voor een kalme, bijna medelijdende uitdrukking plaats gemaakt. »Wat doet ge mij dat ik klagen zou?" had hij tot zijn rechters gesproken, »gij brengt mij slechts nader bij den God, dien ik altoos gezocht heb; maar dat wat gij u zeiven doet, daarover klaagt; ziet toe op het bloed dat gij vergiet, want iedere droppel bloed, rijst voor den troon des Almachtigen en schrijft in zijn rechtboek den naam des moordenaars, op wiens hoofd het zal neerkomen." Een afspiegeling van het gevoel, dal hem die woorden op de van pijn verbleekte lippen had gelegd, rustte nog op zijn gelaat; het gaf kracht aan zijn door de foltering verzwakt lichaam en vastheid aan zijn tred, terwijl hij de trappen van 't schavot besteeg. Een priester ging aan zijn zijde; men kon niet verstaan wat hij sprak; vermoedelijk beproefde hij nog eens een bekeering, want men zag dat de gevangene hem met een handgebaar terugwees; dan zwegen de trommels. De geestelijke las het oordeel, waarbij het heilige gerecht zijn slachtoffer aan den arm der wereldlijke macht opdroeg; als hij gedaan had, zou de muziek weer beginnen, opdat geen woord van verdediging den indrnk van het vonnis zou kunnen verzwakken; reeds wenkte hij — maar die menschonteerende toon, die zelfs aan den dood geen laatste rede gunnen wilde, weerklonk ditmaal niet.

Onder de menigte ontstond plotseling een gedrang, men hoorde eenige verwarde kreten, en door de rij der soldaten heen drong een jeugdige gestalte naar het schavot, en een luide stem riep vol hartstochtelijke verontwaardiging: schande over u, gij beulen, die het bloed van onschuldigen vergiet! vrije burgers, helpt, eer het te laat zal wezen!"

Een electrieke schok scheen door de tot nu toe werkelooze toeschouwers te gaan. Aller blikken vestigden zich op den vermetelen spreker, bijna nog een knaap, maar door de geestdrift in een enkel uur tot jongeling gerijpt; zijn oogen gloeiden van heiligen toorn, op wang en voorhoofd lag een donkere blos; als het beeld van lang beleedigd rechtsgevoel, dat eindelijk wraak begeerde, moest zijn verschijning op het gemartelde volk werken. Menige vuist balde zich, menige dreigende blik trof de Spaansche wachten. «Hij heeft gelijk, beulen en moordenaars zijn het, dood aan de vreemde tirannen!" klonken enkele kreten; de onversaagdsten drongen naar voren en een oogenblik scheen het alsof de stem, die gewaagd had der gehate

Sluiten