Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klepel slaat zich zelf maar tegen de klok als er geluid wordt; wat men gezwegen wil hebben, zwijg dat mee," antwoordde zijn kameraad, en om zijn eigen les in practijk te brengen, ging hij eenigen tijd zonder spreken voort.

In een der hoofdstraten klonk — een vreemde toon in die dagen — vroolijke muziek.

«Wat gebeurt daar?" vroeg de voorzichtigste der dragers.

»Dat is het huis van graaf Nivelde," hernam de ander; hij trouwt vandaag."

»Hij was al dikwijls getrouwd," spotte de eerste.

»Ja, maar niet kerkelijk!" en beiden lachten.

»Wie is de bruid?"

»Een vreemde; ze was bij onze vrouwe Margareet; Linondi,geloof ik, heet ze," — een beweging van den gewonde brak hun gesprek af en deed hen sneller langs de versierde woning gaan. »Dat is een slecht voorteeken," mompelde de een; »op den eersten dag van het huwelijk moet men geen lijkstoet en geen zieke zien."

«Och, sterven kan men tegenwoordig toch genoeg; ze moesten maar geen muziek maken; er staan te veel open doodkisten in Brussel, en niemand weet of de zijne niet al getimmerd wordt," hernam zijn makker; intusschen we zijn er nu."

Zij hielden voor Viales huis stil. De graaf was nog niet terug, maar de bedienden waren vol schrik in de weer en brachten Frank naar zijn leger. Hij verried geen gevoel voor 't geen met hem gebeurde, slechts ééns richtte hij zich op en fluisterde: »dat bloed, ziet gij wel? het is uitgewischt," dan zonk hij weer achterover en een blijde uitdrukking speelde over zijn gelaat.

Het was een gedachte die Viale later deed huiveren, dat hij op het eigen oogenblik, waarop men zijn zoon gewond wegdroeg, zich in de woning bevond, waaruit de muziek weerklonk, die zelfs onverschillige vreemden zoo pijnlijk trof, maar hij was mede onder de bezoekers, die hun hulde aan de jonggehuwden brachten. Nivelde was de beste steun zijner partij, sommigen meenden echter, dat hij hem tevens als mededinger vreesde en ontzag, en zoo had hij zich den dw^ng getroost, eenige minuten in de schitterende zalen door te brengen, waar de schoone Silvia, in al haar heerlijkheid troonde.

Los en sierlijk viel de glazen sluier langs haar donkere lokken neer; in iedere plooi van het witte met goud geborduurde gewaad fonkelden juweelen, en de pracht 0111 haar heen paste bij dat bekoorlijke gelaat, welks oogen nog vuriger straalden dan de diamanten die het omschitterden. »De gelukkige!" fluisterde menigeen.

Was zij gelukkig? Haar gelaat zeide dat zij het was, en al die

Sluiten