is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leggen, en zoo behoorde zij eenige oogenblikken aan zich zelf.

Er zijn gezichten, die niet den loop der jaren winnen en later bevalliger zijn dan in hun eerste jeugd; daaronder was ook dat van Helene. Zooals zij thans, in haar rijk uitgangstoilet van grijze zijde, het hoofd op de fijngevormde hand rusten liet, waarover de lange, glanzige lokken heenvielen, was zij als jonge vrouw een aangenamer verschijning, dan zij ooit als meisje van achttien of twintig jaren geweest was. De ernst, die toen onnatuurlijk scheen, was nu door de sombere tijdsomstandigheden meer dan gewettigd, en het verkeer met de wereld wijzigde zijn vorm; de glimlach van het gezellige leven plooide nu die eens strakke lippen, en daarenboven maakte veel, wat vroeger stroef zou zijn genoemd, in de rijke edelvrouwe alleen den indruk van gepaste waardigheid. De trekken waren meer gevormd, en naarmate meer verschillende gevoelens er over heen gegaan waren, sterker bezield, terwijl diezelfde jaren niets ontnomen hadden aan de schoonheid van het welige goudbruine haar, aan den glans der heldere oogen en de fraaie vormen der slanke gestalte. Zij was niet bepaald schoon, daarvoor miste zij aan den eenen kant strenge regelmatigheid en aan den anderen dat zacht liellijke, dat in de plaats er van treden kan; maar het oordeel van Brussel, dat haar bevallig noemde, had toch geen ongelijk, en de soort van haar bevalligheid scheen die te zijn, die in haar koele en toch levendige uitdrukking het best bij haar echtgenoot paste.

Reinout bracht dit gevoelen nooit aan het wankelen. Hij had bij zijn huwelijk op geen uiterlijke omstandigheden gelet, en daar zijn gade alle eigenschappen scheen te bezitten, waarop men wist dat hij prijs stelde, nam men algemeen aan, dat hij zeer bevredigd moest zijn. Helene was een aangename studiegenoot, een bekwame en niets eischende hulp, een minzame en toch hooghartige gastvrouw, met wier huiselijke bezigheden zijn wenschen nooit in botsing kwamen, iemand met wie men, na al de nietige maatschappelijke gesprekken, elk alledaagsch onderwerp niet nog eens behoefde te herhalen, wat kon hij meer verlangen? Naar recht niets; wat was billijker dan aan te nemen, dat hij ook niet meer verlangde?

En toch, de blik waarmee hij, zonder dat Helene hem bemerkte binnengetreden, thans zijn gade aanzag, was niet de blik van iemand, die alle wenschen bevredigd ziet. Hij scheen, terwijl hij haar zoo onbespied waarnam, toch bijzonder levendig te voelen, dat het geen gelukkig en vooral dat het een zeer koud gelaat was, dat gelaat zijner echtgenoot, zooals het in zijn peinzende onbeweeglijkheid aan alles eer dan aan jonge, blijde huwelijksweken liet denken. Hij had zulk een aantal gezichten vol onrust gezien, dat hij zich eerst her-