Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als hij geen Katholiek, geen vervolger zijn kon, dan moest onverschilligheid in zijn gemoed wonen, dat naar een geloof smachtte, hetwelk alleen balsem voor smarten, gelijk hij ze leed, in zich droeg; het moest zijn hoop zijn, de stem die hem toefluisterde, dat in de nieuwe leer, die zijn vaderland beviijden zou, een kracht schuilde die hem kon steunen, te doen verstommen; hij moest wenschen, dat dit Protestantisme geen geloof in zijn borst vinden mocht, en hij had het gewenscht.

Met den ijver van iemand, die zich zelf vergeten wil, had hij zich in de bezigheden van zijn ambt geworpen, en daarin niet zoozeer afleiding als wel verdooving gezocht; maar zijn wangen mochten onder de inspanning, die hij van zijn kracht vorderde, verbleeken, zijn oogen dieper in hun holten zinken en zijn gezondheid ondermijnd worden, wat hij zocht, vond hij niet, kón hij niet vinden. Zijn hand mocht bezig zijn, de geest was afgetrokken en dacht voort, dacht te meer pijnigende denkbeelden» naarmate de eenige stroom die zulke dorre zandwoestijnen van vruchteloos gepeins kon afbreken, de stroom'van jong, gezond bloed, minder levendig door zijn aderen vloeide. En zoo het hem nog een enkele maal gelukte, zich tot den gehoorzamen slaaf van zijn taak te maken, — wat in de uren, dat hij vrij was? Geen geliefd wezen eischte zijn toewijding; hij was aan Viale, aan Frank gebonden, maar welk een noodlottigen invloed hij ook op hen zou kunnen oefenen, hun geluk te bevorderen scheen niet in zijn vermogen" te liggen. Al de vreugd van hen die hij beminde was onafhankelijk van hem; hij had zelfs niet dien troost, dat zijn leed anderen gelukkiger maakte; en met huivering dacht hij hoe het batig slot van zijn leven geen ander wezen zou, dan dat hij bestaan had zonder iemand ongelukkig te maken. Het hoogste een ontkenning! o, waartoe dan bestaan?

Dat verlangen naar een verandering, van welken aard ook, dat in zijn onbepaaldheid zoo hopeloos is, kwam over hem; mochten de omstandigheden maar veranderen, wellicht zouden zij hem helpen; hij was zóó onzeker omtrent den weg dien hij moest inslaan, dat hij zefs het blinde toeval.tot leidsman wilde aannemen.

Hij had in 't begin de gevaarlijke aantrekkingskracht der Protestantsche predikingen trachten te vermijden, doch die onthouding eindelijk opgegeven; zijn eigen gedachten waren gevaarlijker dan vreemde woorden. Zoo bezocht hij de kettersche vergaderingen, en Eelco had met juistheid voorspeld dat hij dien avond bij de prediking zou tegenwoordig zijn.

Met een tred, minder opgewekt dan die waarmee Reinout kort geleden zijn woning had verlaten, ging hij door de straten. Hij bezocht ze zelden over dag; hij vreesde voor het zien van de slacht-

Sluiten