Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover Helene's gemaal bevond, dien hij had willen vermijden, zooals men een vijand vermijdt, bij wiens aanblik de hand dreigen moet, en dien zij toch weet niet te mogen treilen. Reinout scheen dit plan gebillijkt te hebben, ook hij had een ontmoeting trachten te voorkomen; waartoe dan nu dit ongevvenscht gesprek?

Met over elkander gekruiste armen tegen een der banken geleund, wachtte de jonge man Meerwoudes meedeelingen zwijgend af. Hij voelde, dat zijn hart klopte, als in het bewustzijn van naderend onheil, en zoo hield hij het oog op den grond geslagen, om zich niet door zijn onzekeren blik te verraden.

»Het is u wèl, hoop ik, wanneer wij hier spreken; een Protestantsche kerk is zeker het neutraalste gebied, waarop een Katholiek en een Atheïst elkander kunnen ontmoeten," begon Reinout: »ik zou u niet lastig vallen, want ik weet dat wij gedwongen zijn, het genoegen van eikaars gezelschap eenigszins twijfelachtig te vinden, doch een toeval heeft mij in het bezit van papieren gesteld, die meer voor u dan voor mij bestemd schijnen, en die ik niet aan een vreemde bezorging dorst overlaten."

Hij scheen een antwoord te wachten, maar daar Edward bleef zwijgen* ging hij voort: »men zeide mij, dat ik 11 hier te zoeken had, en ik zie men bedroog mij niet, zooals ik aan het verleden denkend wel vreezen moest; maar het is waar, deze ketterpredikingen worden door sommigen als prikkel voor hun afschuw tegen de ketters gebruikt."

Hij haalde eenige papieren te voorschijn, en bleef ze als aarzelend in de hand houden. De jonge man bemerkte het. »Zoo uw woorden van mijn geloof afhangen, beschouw mij dan als hen, die gij hier gezien hebt."

«Als een Protestant!" riep Meerwoude; »nu, ik heb menschelijke denkbeelden nooit voor den toetssteen der eeuwigheid aangezien, doch ik wil bekennen, dat die mededeeling zeer verrassend is. Het had mij misschien verwonderd, den geloovigen Katholiek Edward Melville te zien veranderen, daarin echter had ik mij nog kunnen verplaatsen, — maar thans, met den naam dien gij dragen moet, met al de tradities van uw geslacht, thans u veranderd te zien, dat is meer dan ik wachtte. De partij der hervormden is wel goedgeloovig of wel zwak, dat zij zoo argeloos een bondgenoot aanneemt. Als ik in haar plaats stond, zou mij zulk een proseliet gevaarlijk schijnen."

Edward was zeer bleek geworden, hij streed klaarblijkelijk met den opkomenden hartstocht, en met de gedachte, dat Helene's echtgenoot niet de persoon mocht zijn, tegen wien hij zijn toorn uitte. »Dit is geen tijd," zeide hij, «waarop een overgang als de mijne het

Sluiten