is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ledige ruimte en hij lachte, — een huiveringwekkend lachen. »Zoo leeg is alles; trouw, eer, liefde, alles wezenlooze schimmen, ijdele klanken; niets is waar dan de leugen,' zeide hij op een toon, die hard was als zijne woorden, en snerpend als de klank van glas, dat een ruwe hand vanéén doet springen. »En hij sprak als had geen schuld ooit zijn leven bezoedeld, als ware zijn hart rein — en ik heb hem geloofd," vervolgden zijn lippen, »ik was een dwaas, en hij... De zoon sprak liet veroordeelende woord niet uit, dat den vader voor immer zou brandmerken. De papieren ontzonken aan zijn hand, en in een gebroken half bedwongen snikken gaf zijn geprangd hart zich lucht.

Dat de bewijzen, die hij gelezen had, echt waren, daaraan kon hij niet twijfelen. Dat was Viale s schrift, al was 't ook een andere naam, die deze gelofte van eeuwige snood gebroken trouw bezegeld had; dat was de hand zijner moeder, en nu ook begreep hij het geheele gedrag van den graaf. Hij begreep vele woorden, wier zinspelingen hem eens onduidelijk geweest waren. Met was de hardvochtige werkelijkheid; hij, die de verdediger van het Protestantisme wilde zijn, hij, de hervormde, was — Viales zoon.

Wel had Reinout wraak genomen! — Dat de edelman dit alles sinds lang geweten en met zijn mededeeling slechts gewacht had, tot het bericht er van een ongeneeslijke wond zou slaan, dat gevoelde Edward, ook zonder dat hij zich behoefde te herinneren, dat Meerwoude zijn doodvijand was; het tijdstip, waarop men hem deze openbaring gedaan had, zeide hem genoeg. Met een bedaardheid, die hij zelf niet begreep, stond hij op, en trad naar Reinout toe. Deze zag hem aan, en onwillekeurig voelde hij iets, dat naar schrik geleek, bij den aanblik van dat veranderde gelaat.

Die strakke trekken, die onnatuurlijke blik en die eigenaardig gespannen uitdrukking, het was of zij Edward geheel veranderden ; dat was werkelijk de zoon van Viale, die daar, trotsch als zijn vader, rekenschap van de wreedheid aan hem gepleegd scheen te vorderen. Maar hij eischte geen verantwoording. Hij wilde niet toonen, dat hij het spel doorzag, hetwelk men met hem had gedreven ; zijn toorn kon hem slechts aan den spot van zijn tegenstander prijsgeven, zijn smart slechts bewijzen dat Reinouts doel bereikt was. üp een toon, zoo kalm als van iemand die een onverschillige zaak afdoet, begon hij: »ik moet deze documenten als mijn eigendom beschouwen, heer van Meerwoude."

»Zij behooren u toe," antwoordde Reinout, en hij wist nauwelijks, of hij hoopte dat die bedaardheid schijn of waarheid zijn mocht; hij wist alleen dat dit strakke gelaat met die ernstige oogen hem