Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe schoon waren die kalme trekken! Er was geen lijn, die bitterheid, hartstocht of rusteloosheid daarin geteekend hadden. De ernst en de geestdrift van een leeftijd, die niet de zijne was, hadden dit gemoed aangeraakt, maar alleen de gloed, niets van het verterende vuur dier vroeg verkregen jaren rustte op deze trekken. Nog hadden de gedachten, die achter dat blanke voorhoofd klopte, alleen naar omhoog gestreefd; geen enkele had zich in het stof verloren of in het duister gearbeid; en het gelaat, dat Edward met een mengeling van weemoed en liefde beschouwde, was zoo helder, omdat het slechts reine beelden kon weerkaatsen.

Een beweging van den gewonde stoorde hier de smartelijke denkbeelden, die het hart van den ongelukkigen jongen man vervulden, terwijl hij den broeder gadesloeg, dien hij zelfs stervend nimmer met dien naam zou mogen begroeten, en dien hij toch beminde met een liefde, grooter dan broederliefde pleegt te zijn. Langzaam sloeg Frank de schitterende oogen op. In hun blik glinsterde weder dat dwepende licht, dat Edward zoo vaak met een gevoel van angstige bevreemding gezien had, maar thans scheen het niet vreemd meer. Het was nu slechts als had de natuur geweten, hoe kort het leven zou wezen, dat op dit gelaat had geblueid, en dat zij eer de tijd kwam, dus gegeven had wat hij nimmer brengen zou. Snel had zij de gedachten gewekt en tot volmaking gevoerd, die anders eerst op dezen leeftijd beginnen te ontluiken, want zij wist, dat zij de vrucht tot rijpheid brengen moest, eer de bloesem zich nog aan het oog had kunnen vertoonen. De vrucht was gerijpt, en — zij viel af.

«Edward." sprak Frank mot zachte stem, «zijt gij alleen hier?" »Ja,"

»Het is goed; ik heb u iets te zeggen, dat niemand hooren mag. Nu ik sterven ga "

»0 Frank, Frank!"

»Stil, ween niet, men zou ons storen; luister rustig. Mijn vader weet niet boe ik gewond ben, bij meent dat bet in de opschudding geschiedde, zonder dat men het wilde. Zult gij maken, dat men hem in dien waan laat?"

»Ja Frank, ja."

»Dan is het goed." Hij boog zich dichter tot Edward. Fluisterend vervolgde hij: »Ik heb bet u nooit gezegd. Ik geloof aan de nieuwe leer."

Er heerschte een oogenblik van stilte; dan sloeg zich een arm vast om den hals van Frank en een ontroerde stem sprak: »en üw geloof is het mijne."

Sluiten