Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelde dat. Met die onbeschrijflijke innigheid, die zijn woorden tot muziek maakte, zeide hij: »o Edward, kon ik u helpen!"

Met moeite hief deze het neergebogen hoofd op. «Mij deert niets," sprak hij, maar de kracht der onwaarheid verliet hem; hij verborg het gelaat, en een woeste smartkreet deed zijn lippen beven, terwijl hij riep: «mocht ik met u sterven!"

Frank zag hem weemoedig aan. »Neen," zeide hij ernstig, «het zou onrecht zijn dat te wenschen. Ik ben nog zoo jong, er is aan mij niets verloren, maar gij zijt een man, gij kunt iets zijn voor uw vaderland." Een herinnering aan het verleden scheen in hem op te komen; met droeve scherts vervolgde hij: «weet gij nog, wat gij zeidet toen het klimop verwelkt was? het is waar geweest." Hij richtte zich een weinig op en zijn oogen begonnen levendiger te schitteren: «het klimop kan sterven, maar de boom moet leven, en schaduw brengen aan de uitgedorde streek. Zoo ge mij ooit hebt liefgehad, hoor dan mijn laatste bede. Ik sterf en heb niets voor mijn land gedaan, het land dat mij toch zoo dierbaar was; ik kon het niets vergelden van al wat het mij gegeven heeft; betaal gij mijn schuld. Beloof mij, dat ik geen ondankbare zal schijnen."

«Ik beloof het u". Een diepe stilte volgde dat plechtig gegeven woord.

«Zie Edward," zeide Frank toen, «ik heb vroeger wel eens gewenscht lang op deze aarde te mogen blijven, ik wilde zoo gaarne leven; maar het is goed zoo, hier zijn wij allen toch slechts om te sterven, en de eeuwigheid heeft geen dood."

Heeft zij een leven? weerklonk het in Edwards borst, maar hij sprak de vraag niet uit; wat zij ook hebben mocht, zij gaf rust, en hij prees hém gelukkig, die haar zoo vroeg en zoo schuldeloos inging. Welk antwoord de eeuwigheid op de vragen over het hiernamaals geven zal, weten wij niet, maar op het leven is de dood het eenige antwoord, sprak de vertwijfeling in zijn gemoed. Hij zag zwijgend in dat schoone, stralende gelaat, dat zoo helder was als de zon; want de morgen van ieder leven is helder, en de avond — kan het zijn, zoo wij slechts gewild hebben. «Het is goed zoo," vervolgde Frank, «ik heb een oogenblik gemeend, dat het zeer donker werd en dat het kwade overwinnen zou, maar ik geloof niet meer aan de smart; het booze heeft reeds zoolang op aarde gewoond en de engelen toch nooit verdreven, het zal ook nu niet zegevieren, nu niet en nooit."

Neen, nooit! De lippen van stervenden zijn profetisch, en in de oogen van den jongeling schitterde een licht, dat niet op deze aarde ontstoken wordt. Het goede zal niet sterven. Neen Frank, niet zoolang er wezens worden geboren als gij ; niet, zoolang de mensch den hemel in zijn gemoed kan dragen, zal die hemel zich voor hem sluiten.

Sluiten