Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenig licht had kunnen geven. Hij wilde niet weten van welken aard hun toestand was, mogelijk zou die hulp vereischen, en hij kon immers geen hulp bewijzen.

Jaren waren zoo voorbijgegaan, jaren vol uiterlijken glans en innerlijk leed, toen het toeval hem plotseling tegemoet scheen te komen. Het voerde den jongeling, naar wien zijn hart trok en dien hij toch niet durfde opsporen, in zijn woning; hij zag zijn zoon, en onder omstandigheden, die hem vergunden zijn verzorger te worden, zonder dat hij zich als vader had te erkennen. Welk een weemoedige gelukzaligheid doortrilde zijn hart, terwijl hij voor't eerst de trekken aanschouwde, waarvan hij zich in gedachten zoo vaak een beeld had trachten te ontwerpen; met welk een mengeling van zelfverwijt en trots noemde hij Edward waardig, graaf van Viale te zijn, dat wat hij hem nooit maken zou. De tijdingen van zijn ongelukkige gade; de gedachte dat het zijn kind was, waaraan hij een ondergeschikte plaats in zijn huis bood; dat koude: lieer graaf, van de lippen die hem den vadernaam hadden moeten schenken; het waren zoovele pijnigingen, die zijn hart deden bloeden, maar toch, hij achtte zich gelukkig, met die smart het bezit van zijn zoon te koopen. De illusie, dat het lot, met zijn innerlijk berouw tevreden, daarvan geen uiterlijke blijken vorderen zou, en hem vergunnen zijn schuld in stilte goed te maken, boezemde hem een sinds lang niet meer gekenden moed in. Edwards licht te winnen genegenheid, zijn nooit ergdenkend karakter, zijn rechtzinnigheid, alles beloofde Viale het welslagen der plannen, die hij voor zijn geluk vormde, en die hem zooal niet zijn rechtmatig erfdeel, dan toch een aanzienlijke positie verzekerden. Voor het eerst na lange jaren dronken de lippen van den graaf weer met gretige teugen de verkwikking der hoop, en een blijde verwachting schonk weer licht aan zijn donker oog, hij droomde — helaas, waartoe nog aan zijn droomen terugdenken, nu hij ontwaakt was.

Daar in die weinige letters waarin Edward hem zeide dat hij alles wist, daar lagen immers die schoone verwachtingen vernield vóór hem, en zijn misdrijf, dat hij reeds verzoend waande, staarde hem weer met dien vernietigenden blik aan. waarmee het hem zoo dikwijls uit de oogen van hen, die hij het meest beminde, had aangezien. Maar ditmaal sprak het niet alleen uit die blikken, uit aller oogen sprak het, overal las hij de woorden die hem vonnisden. Hij wist dat zijn geheim veilig was, en toch sidderde hij voor eiken scherpen blik; moest die niet in zijn hart doordringen en daar zijn schande lezen? Een schuldige was hij sinds lang geweest, maar thans, hoe oneindig schuldiger nog dan ooit te voren. Hij had de ketters gerecht zonder genade te kennen, en zijn eigen zoon had hij aan de ketterij

Sluiten