Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begreep wat de ongelukkige jonge man bij de ketters zocht, hij wist dat hij den levende niet meer te vreezen had, maar hij vreesde den doode. Nooit hadden Heienes lippen den naam, dien zij liefhad, uitgesproken, maar toch wist hij dat Edwards beeld in haar ziel leefde, dat alleen het brandmerk der schuld het van den luister ontdoen kon, waarmee haar liefde het omgaf. Met tegenzin erkend, maar zoo erkend dat geen illusie liet meer kon verdrijven, was hem liet bewustzijn gekomen, dat de verandering, waarop hij gehoopt had, nooit zou plaats hebben, en hij rekende niet meer op dat lang verbeide oogenblik, dat hem de verklaring harer genegenheid zou schenken.

Zij ging naast hem, onderworpen en zorgend, de vrouw die hij geëischt had, maar haar blik werd niet inniger, haar toon niet warmer; ja Helene van Meerwoude, zij die zijn naam droeg, scheen hem verder te staan dan eens de jonkvrouw van Vredenborg. Zelfs de vertrouwelijkheid, die in het huis van haar vader tusschen hen geheerscht had, scheen gestorven, sedert hij haar zijn eigen huis zag deelen.

Het was een natuurlijk gevolg der omstandigheden, geen onwil van haar kant. De belofte, bij haar huwelijk gedaan, stond vast in baaiziel gegrift, maar juist de vervulling er van belette het opkomen eener inniger verhouding. Zoolang Reinout baar een vreemde geweest was, bad zij baar vrijheid tegenover hem bewaard, en mocht zij haar gedachten ook verbergen, niets dwong baar dat zwijgen in acht te nemen, zij kon hem vrij bekennen dat zij Edward liefhad. Nu echter was alles veranderd. Nu was hij haar echtgenoot en had aanspraak op al de gevoelens die in haar omgingen; zijn bijzijn was een dwang, waarvan zij zich niet meer ontslaan kon en die al haar denken ketende. Zij bad in tegenwoordigheid van den haar vreemden edelman met hem bezig mogen zijn, dien baar hart beminde, in tegenwoordigheid van den gemaal was elke dier gedachten een misdaad; zij had den vreemde mogen bekennen, dat Edward haar dierbaar was, den gade mochten haar lippen nimmer zeggen, dat zij — een ander liefhad. Zij vreesde voor het verbreken hunner terughouding, omdat zij voelde geen vertrouwen te mogen schenken, en dat gevoel maakte haar belemmerder en stiller dan zij vóór bun huwelijk geweest was. Alle herinneringen, alles wat de bladzijden van haar leven met de taal der liefde en der smart beschreven had, gebood die plicht haar uit te wisschen; kon hij anders dan leege bladen vinden?

Inderdaad het was of dat zelfbedrog, waarmee beiden hun echt waren ingegaan, zich thans op hen wreekte. Beiden voelden hoe pijnlijk dit samenleven zonder gemeenschap was, en toch wisten zij het niet door beter te vervangen, want geen hunner wilde de bekentenis doen, die eindelijk de geheime oorzaak van hun onbevredigd

Sluiten