Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Zeg liever: zoo ik hem, een onervaren jongeling in het kwaad sterkte."

»WeInu, gesteld ik bespoedigde een crisis die toch komen moest, om den tijd van uw onzekerheid te eindigen, om u te redden, Helene, welk verwijt kunt ge mij doen?"

Zij richtte de oogen op zijn gelaat; ze waren veranderd, het was als waren ze grooter en donkerder geworden, sinds zij in een nieuwe wereld hadden gezien, in de wereld van list en leugen «Reinout," zeide zij, «hadt ge mij geen trouw, geen waarheid beloofd ? mij niet van steun en hulp en vriendschap gesproken? en is niet kommer en misleiding mijn deel geworden? hebt ge mij niet eenzaam gemaakt? hebt gij geen vergift in mijn ziel gegoten, terwijl gij balsem beloofdet?"

«Eenzaam waart gij sedert lang, dat kon ik u niet maken; denk aan het verleden en vraag u zelf wat gij waart; heb ik u een geluk ontnomen ?"

Hij sprak die wreede woorden zonder hun wreedheid volkomen in te zien, maar zijn hand drukte op al de wonden in haar hart en de pijn wapende haar tegen hein. «Wat ik was?" sprak zij langzaam, «een rampzalig wezen, ik weet het, maar" — en als een kreet van smart kwamen die woorden van haar lippen — «wie heeft mij zoo gemaakt? o Reinout, liet ware beter zoo gij mij gedood hadt, dan mij zulk een leven te geven."

Reinout huiverde; was dat Helene? was dat inderdaad het door hem zelf gevormde beeld, dat tegen den beeldhouwer opstond? Zulk een uitbarsting van gevoel had hij niet verwacht. Met gedwongen bedaardheid hernam hij: «Filips zoowel als gij zijt geworden, wat gij door uw natuur worden moest; zoo ik invloed op u had, was die mij vrijwillig verleend; in uw beider hart schuilden de grondstoffen, die u gemaakt hebben tot wat ge nu zijt."

Zij richtte zich hoog op. «Neen, Reinout, neen; mijn broeder was zwak en lichtzinnig, maar niet zoo verdorven, dat zijn hart nooit een gevoel van aarzeling, van verlangen naar het betere kende; hij vreesde uw oordeel, gij hadt zijn goede engel kunnen worden, waar ge zijn booze geest waart." Zij lachte huiveringwekkend; «van natuur spreekt gij, wat hebt ge mij voor natuur gelaten ? was zij het die mij een hart in de borst legde, dat geen anderen wensch kent dan voor altijd stil te staan? neen, zij was het niet; zij wilde dat ik jong zou zijn en liefhebben en geluk smaken; uw wil vernietigde al haar gaven. Denk aan het verleden en vraag u, of ik zoo zou geworden zijn uit mij zelf; in de woestijn ware ik minder eenzaam geweest, dan gij mij gemaakt hebt."

«En de uwen, wat deden zij? hoe zorgde uw vader?"

Sluiten