is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Hij paf mij wat hem het dierbaarst was, zijn kennis; hij meende mij gelukkig te maken; maar gij kendet mij beter, gij gaaft h em gelijk, en wist dat hij dwaalde. O, ik versta thans alles; gij waart het die zijn lippen sloot, wanneer zij de vraag wilden doen die mij zou hebben gered, gij waart het die zijn oogen verblindde zoo vaak zij begonnen te zien; gij hadt reeds toen een doel, zooals gij het liadt toen ge mijn liefde verstoordet; gij waart het die mijn broeder schuldig en mij nameloos ellendig maakte."

»Ja Helene," zei Reinout langzaam; zijn lippen waren kleurloos en hij ademde zwaar, »ik handelde met een doel. Ik wist dat de kennis, die ik u gaf, u niet gelukkig maakte, want zij verstoorde de eenige bron waaruit voor den menseh geluk vloeit, het vermogen zich illusies te scheppen. Ik wist dit, maar" — zijn stem trilde onder het geweld van lang bedwongen hartstocht — »zoo ik u die illusies, zoo ik u den schijn wegnam en u waarheid schonk, ik wilde u daarvoor alles geven wat ik bezit, macht en gezag bij de menschen, heerschappij waar zij dienen; zoo ik 11 hun liefde wegnam, ik wilde u liefde voor u zelf inboezemen, opdat gij uw meerderheid boven deze menschen zoudt kennen. Gij waart alléén; was ik anders? Als gij de smarten der eenzaamheid kent, zult gij dan streng zijn, wijl ik het eenige middel aangreep, dat ze kon doen ophouden?"

Zij antwoordde niet; de volkomen stelselmatigheid, waarmee hij toegaf gehandeld te hebben, deed haar verstommen. Hij vervolgde heftig: »ik moest iemand hebben, die mijn denken verstond; daartoe voedde ik u op; ik gaf u kennis en gedachten, opdat ge mij zoudt begrijpen en volgen, want ik wilde verstaan zijn; wilde, dat is het woord. Ik moest iets hebben dat mij dierbaar was, en gij alleen kondt dat zijn; u kon ik vormen, daarom wendde ik uw hart van de betrekkingen af, die u niet begrepen, daarom liet ik de liefde van hem die u niet verdiende, liet genot dat de ijdelheid zoekt, niet tot u komen; mijn eigendom moest ge zijn. Helene, als ik u dan maakte wat gij thans zijt, heb ik ook recht op u; werp het kleine verleden weg en leef in de toekomst, die ik uwer waardig zal maken."

Hij wilde haar naderen, zij stiet hem met afschuw terug. »Uw recht is verbroken," riep zij, »uw aanspraak dood; er is niets zoo heilig waarop uw lippen zich beroepen kunnen, of gij hebt het bevlekt; trouw, liefde, al wat een gewijden naam draagt, het bestaat niet voor u. Moordenaar van mijn geluk, moordenaar van waarheid en eer, moge het lot u met dezelfde smart treilen, die ik door 11 geleden heb!"

Zij stond met opgeheven hand, met gloeiende trekken voor hem. Zij was schoon op dit oogenblik, in al den toorn der gekrenkte vrouw,