Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleerd, dat medelijden belachelijk is, dat verzoening niet bestaan mag, — denk aan uw beginsel, en beschaam het niet. Wees sterk, wees uwer zelf waardig!"

Haar hoonende spot scheen Meerwoude zijn bezinning terug te geven. Hij richtte zich op, en in zijn trekken was geen spoor van hartstocht meer te lezen; een uitdrukking, die haar ontzette, rustte er op. Ja, zij had getroiTen, diep getroffen; waarmee zou hij liet vergelden? Er was een onheilspellende kalmte in zijn stem, toen hij langzaam begon: »gij hebt gelijk Helene, wij moeten niets ongedaan verlangen, want dat verlangen is vruchteloos. Onthoud dit, wanneer ge aan uw huwelijk denkt." Hij legde zijn hand op haar schouder; zij wilde terugwijken, maar zijn blik hield haar geboeid en deed het bloed in haar aderen stollen. Zij zag op dat verbleekte gelaat een vastberadenheid, die zij wist dat niets meer kon doen wankelen, en ieder woord klonk haar als een oordeel: »gij zijtmijn echtgenoot, al wat gij het uwe noemt behoort mij toe, uw hart niet. Ik heb geen macht daarover, en ik weet dat gij mij nimmer schenken zult wat ik niet eischen kan. Het zij zoo. Maar wat mijn eigendom is wil ik ook ton volle bezitten. Ik kan de teederheid der geliefde niet van u vorderen, maar de gehoorzaamheid der vrouw kan ik verlangen en ik verlang ze. Van de vrouwe van Meerwoude verwacht ik, dat ze voortaan dit bedenken en haar rang handhaven zal." Hij maakte een koude, trotsche buiging en wendde zich om. Dat beroep op zijn eigen verleden was de diepste wond die zij hem had kunnen toebrengen, maar de pijn er van wilde hij haar nimmer doen aanschouwen.

Met vasten tred verliet hij de kamer.

Helene zag hem na; zij wilde roepen, tevergeefs; het was of geen geluid meer op haar bestorven lippen komen wilde. Voor haar oogen flikkerde het en de grond scheen onder haar voeten te wankelen; met een dollen slag stortte zij bij haar zetel neer. «Mijn God, mijn God, help mij!" riep zij op woesten toon en hief de handen als tot een gebed omhoog.

Ja, wel had zij hulp noodig! De man, dien zij als haar echtgenoot moest eerbiedigen, was het voorwerp van haar diepsten afschuw geworden. Met doodsangst dacht zij er aan, dat gelaat met zijn onderdrukten hartstocht en zijn schijnbare ijskoude opnieuw te moeten zien, opnieuw de stem te hooien, die haar bekend had, dat het een berekening van jaren was, waardoor zij de ongelukkige van thans moest worden, en die toch het recht verlangde om in woorden van liefde tot haar te spreken. Zou zij dien aanblik, dat geluid moeten verdragen, dag aan dag, jaar aan jaar?

Sluiten