is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij wist dat geen uiting van genegenheid ooit meer over Reinouts lippen zou komen, maar zij wist ook, dat li ij liever het rampzaligste leven zou verduren, dan een enkel deel van zijn rechten opgeven. Zij luisterde. Was dat zijn stap, die haar vertrek naderde? Neen, het geluid ging voorbij. Het moest zijn dat hij met iemand sprak,' want zij hoorde stemmen die haastig en levendig klonken, zij kon geen woorden onderscheiden, maar het was Reinouts heldere toon, die in haar oor drong. Thans kwamen de schreden dichterbij. »Z:idel mijn paard, sprak Meerwoude, »ik kan hedenavond niemand meer ontvangen; en zich van den bediende af keerend, opende hij de deur der kamer. »Zijt gij nog hier, Helcne?" vroeg hij; de aanbrekende duisternis belette hem iets te onderscheiden.

Er volgde geen antwoord, en na een oogenblik wachtens verliet hij het vertrek zonder verder onderzoek. Zijn stap verloor zich en het werd weder stil.

Al dien tijd was de jonge vrouw in zwijgenden angst, de handen op het hart gedrukt, als wilde zij het beletten haar door zijn kloppen te vei raden, luisterend blijven staan. Goddank, nu was zij opnieuw alleen; maar voor hoe lang?

En als uit het diepst harer ziel drongen zich plotseling de woorden of liever de wanhoopskreet: »weg, weg van hier!"

Ja, weg moest zij; waarheen? zij wist het niet, maar weg van hier, naar een oord, waar zijn oog haar niet vinden, zijn arm haar niet bereiken kon,

liet was geen besluit, het was geen willen zelfs, het was een moeten. Zij moest van hier. Al had de wereld nergens meer ruimte gehad, hier kon zij niet blijven; hier was elk gevoel doodsangst en vertwijfeling, elke gedachte waanzin.

Met een beweging van wilde haast rees zij uit haar luisterende houding op. Zij zag naar buiten; het was zoo stil en donker, niemand zou haar zien. »Weg van hier, in de vrijheid," fluisterden haar lippen. Zij wierp een donkeren mantel om en verborg haar lokken onder zijn wijde kap. De sieraden, die Reinouts wensch haar had doen aanleggen, rukte zij met afschuw los; die zouden haar niet verzeilen. Stil verliet zij de kamer. In het portaal stond Eelco en zag haar verwonderd aan. Zij trok den mantel nog dichter om zich heen en beval hem haar uit te laten.

»Moet iemand Mevrouw vergezellen?" vroeg hij twijfelend.

«Niemand; ik wil alleen zijn. Er was iets in haar toon, dat elk antwooid afsneed, zwijgend opende Eelco de deur, nog een oogenblik, het slot viel weder dicht en zij was, wat zij gewild had, alleen temidden der diepe stilte, die in de straten heerschte. Eenige stappen