Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging zij haastig voort, dan bleef zij plotseling staan; waar wilde zij eigenlijk been? Verschillende wegen lagen voor haar, doch geen die in de armen van bevriende, helpende menschen zoa leiden; op alle hield de doodsche eenzaamheid wacht. Zij rilde, het was niet guurder dan gewoonlijk, maar op haar verhit bloed werkte de koude lucht dubbel sterk. De angst der machtelooze vrouw kwam over haar, zij had veel geleden, maar weinig besloten, en hier moest een besluit genomen worden. «Waarheen, trotsche weerspannige ?" scheen Reinout te vragen.

Voort, voort, nergens heen, slechts voort!

Zij snelde verder, zonder richting, zonder bestemming, verder slechts; iedere stap bracht haar van hem af, en dat was het eenige.— Doch als zij niet meer verder kon? Zij gevoelde dat uitputting haar dreigde te bevangen, het was te veel geweest, de schok had haar overmand. — En als zij hier neerviel, en men vond haar en bracht haar terug naar het huis van haar echtgenoot! Was dan nérgens redding?

Het licht eener kleine lamp viel op haar pad. Ze brandde voor een der heiligenbeelden, die, op de hoeken van vele straten geplaatst, de geloovigen tot een gebed opriepen. »0, ware daar ook voor mij een heilige, die uitkomst geven kon," zuchtte zij, en bijna zonder het te weten vormden haar lippen een klank, vroeger vaak vernomen ; »de heilige van Ilmenoude," spraken zij halfluid.

Ja, zuster Klara, zij was in Rrussel; het hart, dat ieder vol liefde noemde, het klopte in dezelfde stad, het klopte in haar buurt, en als de juichtoon van den zeeman, die uit de golven des oceaans het reddende land ziet opdagen, klonk het in haar binnenste: «daar, daarheen!"

Zij wendde haar schreden, zij wist waar het klooster stond, dat de non thans herbergde. Haar voet beefde, haar slapen klopten, maar de haven, de beschermende haven lag voor haar, en zij moest die bereiken.

Eindelijk zag zij het grijze, donkere gebouw voor zich. Zij klopte aan; het schemerde in duizenderlei kleuren voor haar oogen, en haar polsen sloegen. Zwaar leunde zij tegen den muur die haar beschermen zou. Daar werd de deur geopend, een gedaante vertoonde zich; Helene ontwaarde een zacht gelaat dat haar vragend aanzag. «Red mij, neem mij bij u op," fluisterde de jonge vrouw; zij zag nog de milde oogen der zuster een uitdrukking van ontsteld, bijna ongeloovig medelijden aannemen, zij zag haar de hand uitsteken, — en dan zag zij niets meer; bewusteloos lag zij in de armen van zuster Klara.

Dat was de veilige haven; het was de haven, die bij iederen storm in het bewogen leven open blijft, het was een warm, deelnemend menschenhart waartegen zij lag, en nu dat gevonden was, kon zij rusten, want alleen de verlatene is rusteloos.

Sluiten