is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aodere gedachten dan de aangelegenheden zijner zending scheen te kennen.

En toch dacht hij weinig over de drijfveeren en doeleinden van zijn tocht. De open poort, die hem zoo willig doorliet, had zich plotseling voor hem moeten sluiten, het paard dat zoo gehoorzaam den teugel volgde moeten steigeren en terugschrikken, om hem op het gevaar, waarin hij zich begaf, opmerkzaam te maken. De hooge, nu niet meer door vroolijke gezichten verlevendigde huizen hadden hem niets verhaald wat hem weerhouden moest; zelfs de woning van Aha, die toch zooveel had gehoord wat hem op zijn weg moest doen omkeeren, was stom gebleven. Onbewegelijk staarde zij, toen hij na lange tot in den nacht gerekte beraadslaging haar verliet, in het bleeke, kille morgenlicht op hem neer, en zoo stom, zoo onbewegelijk was alles op zijn pad. Niets had een waarschuwing voor hem, zelfs de beide gevangenen die, toen hij de poort uitreed, er werden ingebracht, riepen hem niet toe: «rijd niet met opgeheven hoofd en rustigen blik voort, zie de waarheid, nog maar één stap verder en gij zijt een gevangene als wij. Er was zwijgen overal om hem heen.

Ook de Geus, die hem, buiten Brussel gekomen, een vrijen doortocht gaf overal waar kettersche troepen stonden, had geen tong om den thans dikwijls gefluisterden raad: »hoed u!" te uiten. Hij zag den edelman met een eigenaardigen glimlach aan en wenschte hem een behouden terugkomst, maar zoo er ironie in zijn toon was, Reinout hoorde die niet.

Hij sloot zich, naar Alva's raad, bij de troepen aan die, op den uitslag van De Villier's onderneming wachtend, hun standplaats tusschen Kleef en Roermond gekozen hadden, en trachtte hen de noodlottige beweging te doen maken, die hen in handen der Spanjaarden moest leveren. Met die plannen bezig zat hij in zijn tent en bemerkte het nauwelijks dat de gordijn zacht werd opgelicht. Eén der Geuzen stond voor hem. Het was geen der aanvoerders, en die vrijheid bevreemdde hem dus. »Wat wilt gij?" vroeg hij.

»U waarschuwen; gij zijt verloren, zoo gij dezen avond nog hier gevonden wordt."

Reinout staarde hem verbaasd aan. «Kent ge mij?"

«Ik heb u bij Oosterweel gezien; gij gaaft mij een som geld om een der gesneuvelden te begraven. Toen ik hoorde in welk gevaar ge hier zijt, heb ik daaraan gedacht, en kom u waarschuwen; het is misschien de eenige goede daad, die gij begaan hebt, waarvoor men u zou willen redden."

Door Reinouts leden ging een huivering, hij antwoordde niet. «Gij hebt ons aan de Spanjaarden willen verraden," vervolgde de