Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man, ik hoorde het in de tent van den aanvoerder, hij had er brieven over; nietwaar, dat is uw hand? Ik nam dit heimelijk weg, opdat ge mij gelooven zoudt."

Meerwoude herkende het papier, het was die brief van De Villiers waarop Alva's aanteekeningen stonden. Voor zoover hij de zaak berekenen kon, moest het door een der Spaansche gunstelingen, die vol ijverzucht zijn invloed zagen, den hertog ontnomen en, om hem te verderven, aan den vijand gezonden zijn. Hij begreep, dat zijn waarschuwer gelijk had en hij in gevaar verkeerde. »Wil men mij gevangen nemen?" vroeg hij.

»En wat er op volgt; we hebben tegenwoordig geene lange ketenen, maar een sterke strik, ik heb er verraders genoeg aan gezien."

Een donkere gloed steeg in Reinouts wangen; moest hij dien schimp zwijgend verduren?

De man schreef zijn wisseling van kleur alleen aan vrees toe. «Wees gerust," zeide hij, »ze denken dat gij niets vermoedt, van avond willen zij u verrassen, vóór dien tijd kunt gij weg zijn. De Spanjolen staan niet ver van hier; als gij den nacht doorrijdt, kunt gij hen morgen middag bereiken; kom mee, ik zal u wijzen, waar gij blijven moet, tot het donker genoeg is, om u uit de voeten te maken; uw paard heb ik er reeds gebracht."

Werktuigelijk volgde Reinout zijn helper. Zij gingen naar een buiten het kamp gelegen gehucht, waar vroeger de soldaten plachten te stallen. Meerwoude vond er zijn paard en eenig voedsel. »Gij moet nu doen wat gij zelf verkiest," zeide de Geus, ik begeer niets meer te weten; gij kent de wegen en kunt allicht een goed eind vooruit hebben; zoo niet, 't is mij óók wel, ik heb ugewaarschuwd, voor 't overige kunt gij zelf zorgen."

Reinout greep naar zijn beurs, maar een afwijzende beweging hield hem tegen. «Dat is verradersgeld," sprak de man; «waarvoor ik u heb bijgestaan is een afgedane schuld." Hij verwijderde zich en liet Reinout alleen.

Zwijgend zag deze in 't rond. Ilij begreep dat het goed was eenige rust te nemen vóór hij vertrok, en zette zich dus op het stroo, dat den vloer bedekte neer. Het ruwe gebouw herinnerde hem aan de schuur te üosterweel, en hij daclit plotseling hoeveel beter het geweest was als hij daar onder de dooden gelegen had. Hij stelde zich voor, met hoe andere denkbeelden Dalvilliers den dood gevoeld had dan hij doen kon, wanneer men hier hem vinden mocht, en die mogelijkheid joeg hem het bloed koud door de aderen. Als men hem hier vond? — neen, die Geus had gelijk, hij zou de Spanjaarden bereiken, en dan was hij buiten gevaar. «Zoo ik dit aan ïi te danken heb,

Sluiten