Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten zij halt. Hij kon de gestalten der ruiters bij den schijn hunner toortsen herkennen, doch deze verspreidden voor hun dragers slechts in de nabijheid licht; zij bemerkten hem niet. Twee klommen van hun paard en hielden hun fakkels bij den grond; hij begreep dat zij den indruk der hoeven zochten, maar de weg was zoo hard, dat hij geen verraad te vreezen had. Voorzichtig naderde hij nog eenige schreden, om binnen het bereik hunner stemmen te zijn.

»De verrader heeft het andere pad ingeslagen, ik zeide het wel," riep één; «hier is hij niet geweest, de weg verloopt in 't gras, de halmen zouden vertrapt moeten zijn als hij er over heen was gereden."

Reinout glimlachte; bet geluk was hem dienstig geweest, hij voelde zijn hoop op het slagen der vlucht herleven.

Wij moeten het anders beproeven," zeide een tweede stem, «het beste is...." Reinout kon niet verstaan wat de spreker voorstelde, hij hoorde alleen de laatste woorden: «het is dag vóór hij er zijn kan; hij zal wel niet weten dat de wegen daar al samenloopen."

«Dat is ver van de linde."

«Eenige uren; ik weet...." meer kon Meerwoude niet verstaan, maar hij wist genoeg. Zijn wang verbleekte en de pas verrezen hoop zonk weer in 't niet. l)e grond begon hier week te worden; al bereikte hij het kruispunt vóór zijn vervolgers, ze moesten zijn spoor ontdekken,, en dat ze alle kracht zouden inspannen, wist hij reeds.

Het kon hem weinig baten, dat hij ze hoorde wegrijden en een eind op den grooten weg teruggaan, om langs het andere pad, dat naar zij meenden door hem gekozen was, hun doel te bereiken. Wel kreeg hij daardoor een goed eind op hen voor, maar hij was nog te ver van de Spaansche voorposten af, om niet te vreezen, dat men hem zou inhalen. Haastig maakte hij zijn paard los en beklom het weder, de rust had het nieuwe kracht geschonken en hij vorderde snel, doch hij voelde dat het gevaar nog altijd vóór hem lag, dat zijn kansen gering waren, zoo er in 't geheel nog kans was. Reeds de lichamelijke vermoeienis van den tocht voorspelde hem geen gelukkigen uitslag; de mogelijkheid dat zijn krachten hem zouden begeven kwam dreigend in zijn gedachten op, en hij had nooit dat zoete vermogen om illusies te scheppen bezeten, dat op een redding kon hopen, waarvoor het verstand geen gronden aanwees; hij wist dat hij alleen op zich zelf rekenen kon en dat hij weinig vermocht. Toch wilde hij het uiterste beproeven. Zoolang de dood niet onverbiddelijk vóór hem stond, wilde hij aan het leven gelooven en voor

Sluiten