Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het behoud er van strijden, want hij wenschte te leven. De man, die zoo dikwijls met de gedachte van zelfmoord gespeeld had, hij sidderde thans voor den dood; hij hield krampachtig aan het bestaan vast, dat hij zoo vaak had willen verkorten, en dat hem nu zooveel te kort scheen. Met een gevoel van zelfbespotting dacht hij aan de bewonderende verzen van zijn lievelingsdichter;

"Zoo al wat «j^ij genoot 11 ijdel bleek

Kil t leven n ten last werd, waarom uog

Het kwaad verlengd ? Verhaast veel liever 't eind

Van 't vruchteloos aanzijn, van uw moeite en smart. —

Hoelang ge ook 't leven rekt, den tijd des doods

Verkort ge niet; hij duurt niet minder lang,

En 't faalt u aan de kracht iets af te dingen.

Leef zooveel eeuwen als ge zelf maar wilt,

Joch blijft voor u de dood niet minder eeuwig.

Hij die vandaag den levensloop besluit,

En die vóór maanden of vóór jaren stierf.

Aan t' niet behooren beiden even lang."

Spraken die woorden geen waarheid? Ze leerden de vrees voor den dood verachten, en toch vreesde hij dien. Wat had het verleden hem anders dan smart geschonken? en toch verlangde hij naar den dag van morgen.

Het was niet de pijn van het sterven die hij vreesde, eens moest hij die toch verduren; het was geen angst voor wat na dit leven komen zou, want geen onsterfelijkheid opende zich voor hem met den dood; ja zelfs de sterkste hand, die aan een droevig bestaan kan doen hechten, de hoop op een geluk in de nog ongeleefde toekomst, bond hem niet. Hij koesterde ze niet na het gesprek, waarin hij zijn gade had leeren kennen. Het eenige wezen op aarde, dat hem dierbaar was, had zich vol haat van hem afgekeerd en hij wist dat geen verzoening hen meer vereenigen kon. Hij had zich woui haar vernederd, hij had haar bekend, dat zijn geluk, zijn wenschen, alles in haar macht was gageven, en zij had hem teruggestooten. Voortaan zou hij aan haar zijde gaan, koud en onverschillig als had hij nooit iets voor haar gevoeld, hoe ook de hartstocht in zijn borst gloeide; hun oogen zouden elkaar met ijzige kalmte ontmoeten, hoe ook zijn ziel naar een enkelen blik van liefde brandde; hij wist dat zijn bestaan niet dan een pijnlijke rol zou wezen, en toch wilde hij leven. Ja, hij kon de gedachte verduren dat zij hem nooit zou beminnen maar zij zou hem niet verachten. Als hij nu stierf, begroef de dood al zijn vooruitzichten, niemand wist wat hem vervuld had, en hij behoorde der vergetelheid toe, die de dui-

Sluiten