Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dei vervolgers te wachten, en de hemel zoo helder te worden, om hem te duidelijker hun gedaanten te doen kennen, wanneer die dreigend zouden naderen. 01 het spoedig zou wezen ? Een paar uren had hij mogelijk nog tijd. Een paar uren, — hoe lang scheen hem thans dat korte bezit. Een paar uren rust, hoe verkwikkend klonk dat woord in zijn doodelijke vermoeienis. En weder strekte hij zich uit en trachtte haar te vinden, doch weder stoorde hem zijn gedachten. Hij poogde ze af te schudden, maar ze drukten met looden wicht op zijn geest, en hij gaf den vergeefschen strijd er tegenop. Wat is uw bestaan geweest? vroegen zij spottend, en hij voelde nu dat het waar was, wat Dalvilliers gezegd had: het is een misplaatst leven, dat met een vraagteeken sluit. «Had ik nooit geleefd!" zuchtte hij met bitterheid.

Er sprak wrevel uit dat woord, maar geen zelfbeschuldiging. Ilij gevoelde geen berouw. Hij zag dat de inzet verloren was, maar het kwam hem voor, dat hij niet anders had kunnen spelen. Inderdaad, hoe doelloos hij thans zijn geheele leven vond, toch dacht hij geen oogenblik dat het beter had kunnen besteed worden; hij deed zich geen verwijt, noch om zich zelf noch om anderen. Dat hij veel geluk verstoord had, trachtte hij niet te loochenen, want zijn menschenverachting sprak onverschillig: wat was dit geluk waard? even weinig als zij die het smaken. Hij zou nooit de hand tegen een schepping van Phidias hebben opgeheven, maar waarom die beelden uit ruwe klei, die hij om zich heen zag, niet verbrijzeld? waarom de menschen, die alleen tot werktuigen dienen konden, niet als werktuigen gebruikt? Neen, hij had geen berouw.

Maai een gevoel, jiog bitterder dan berouw, welde in zijn borst op, dat was het bewustzijn van al wat hij had kunnen bezitten, van al het genot, dat hij nooit gesmaakt had en waarnaar hij zelfs nu nog smachtte, het genot eener liefde, die zijn gedrag hem onherïoepelijk had ontroofd. Terwijl hij aan dat koude, verachtende gelaat zijner vrouw dacht, dat hem onverbiddelijker dan zelfs zijn vijanden vervolgde, herriep hij als 't ware zijn verleden; hij klaagde zich van geen schuld aan, maar hij wenschte anders geweest te zijn, hij wenschte een oogenblik op diezelfde wezens te hebben geleken, die hij zoo diep verachtte, en bemind te zijn geweest als zij.

Het kwam hem voor dat hij minder ellendig zou wezen, had hij slechts berouw kunnen voelen. Juist de noodzakelijkheid, die hij in al zijn handelingen en oordeelen vond, maakte het mislukken zijner plannen zoo vreeselijk. Had hij ergens een fout, een breuk in de keten zijner berekening kunnen ontdekken, hij zou gebogen hebben, want hij had altijd gewild dat de mensch voor zijn dwalingen zou boeten. Maar hij zag nergens die dwaling, en zijn val scheen hem

Sluiten